Ik schrijf, vaak over Nederlandse literatuur, soms over andere (taalgerelateerde) zaken. Het zijn persoonlijke observaties en weergaven. Ik lees het eerlijk gezegd graag terug. U bent welkom om mee te lezen. Ik vind het leuk als u er iets aan heeft (plezier, inspiratie, informatie, ...)
Posts tonen met het label Snikken en Grimlachjes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Snikken en Grimlachjes. Alle posts tonen
zondag 1 oktober 2017
Elke drie minuten een nieuwe favoriet
Ik zit – met de ramen dicht, want ‘dit mag absoluut niet lekken’ (en bovendien is het buiten koud) naar de Piet Paaltjens-cd te luisteren. Via een geheime link, want de cd is nog niet officieel uitgebracht. Het is fantastisch. Elke drie minuten of soms iets minder, Paaltjens maakte ook korte gedichten, heb ik een nieuwe favoriet.
zaterdag 30 september 2017
Programma Piet Paaltjens Parade
Het programma staat online, heel mooi vormgegeven. Ik had behoefte aan overzicht, en toen ik dat gemaakt had, dacht ik dat dat misschien wel voor meer mensen handig was. Dus toen heb ik mijn overzicht een beetje aangekleed. Hier kun je kaartjes bestellen.
Immortelle XVI
Zijn goudblonde lokken en knevel,
Zijn geestvolle neus en mond,
Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem
En zijn New-Foundlandsche hond,
Ik moet er gedurig aan denken;
Zelfs adem ik soms nog flauw
Den geur in van zijn sigaren.
Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw.
Ruik ik opnieuw die sigaren,
Dan word ik eensklaps zoo raar.
Is ‘t, omdat hij ze rookte,
Of was de tabak mij te zwaar?
Melancholisch, dat wel, maar echt diep somber is het niet. Geen spoortje spot, sarcasme, cynisme. Of misschien toch? Wat doet die hond in de beschrijving? Dat kan, vind ik. Het beeld van sommige mensen is pas echt compleet met hun hond, zeker als je een beetje romantisch bent.
Over wie gaat het? Een goede vriend? Het moet in ieder geval een Leienaar geweest zijn, Blaauw was een sigarenboer aldaar. Hadden studenten honden in die tijd? Nu is dat toch eerder een uitzondering.
Ik vind het een fijn gedicht. Waarom? Zie de eerste alinea onder het gedicht. Ik had over dit gedicht heen gelezen tot Clean Pete het kwam zingen. Toen viel me ineens op hoe lief dit gedicht is. Daar ben ik de dames wel een beetje dankbaar voor.
Nog 20 dagen tot de Piet Paaltjens Parade.
Zijn geestvolle neus en mond,
Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem
En zijn New-Foundlandsche hond,
Ik moet er gedurig aan denken;
Zelfs adem ik soms nog flauw
Den geur in van zijn sigaren.
Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw.
Ruik ik opnieuw die sigaren,
Dan word ik eensklaps zoo raar.
Is ‘t, omdat hij ze rookte,
Of was de tabak mij te zwaar?
Melancholisch, dat wel, maar echt diep somber is het niet. Geen spoortje spot, sarcasme, cynisme. Of misschien toch? Wat doet die hond in de beschrijving? Dat kan, vind ik. Het beeld van sommige mensen is pas echt compleet met hun hond, zeker als je een beetje romantisch bent.
Over wie gaat het? Een goede vriend? Het moet in ieder geval een Leienaar geweest zijn, Blaauw was een sigarenboer aldaar. Hadden studenten honden in die tijd? Nu is dat toch eerder een uitzondering.
Ik vind het een fijn gedicht. Waarom? Zie de eerste alinea onder het gedicht. Ik had over dit gedicht heen gelezen tot Clean Pete het kwam zingen. Toen viel me ineens op hoe lief dit gedicht is. Daar ben ik de dames wel een beetje dankbaar voor.
Nog 20 dagen tot de Piet Paaltjens Parade.
maandag 18 september 2017
Aan Betsy
Strot. Strot is het woord in dit gedicht dat mij doet struikelen. 'O ja, ik lees Piet Paaltjens'. Ik was nog in de stemming opgeroepen door de hartverovrend achtelooze houding en, vooruit, de rozenlipjes. Vooral die eerste, dat is toch mooi, en onschuldig en beelden-oproepend?
Maar dan laat hij dus haar strot op en neer gaan. Niet echt een lieflijk woord. Zelfspot volgt leunde ik schilderachtig op den tronk. Terwijl zij drinkt, probeert hij zich een houding te geven, aantrekkelijk te zijn voor als ze opkijkt van de fles door zichzelf als ware hij in een schilderij te positioneren.
Enter passie en verlangen. Eerst benoemt hij haar mond nog impliciet in een treffend beeld. Ik moet ook wel een beetje lachen, hij is toch jaloers op een fles, de zelfspot is nog niet verdwenen. Dan laait de passie op als hij haar de fles laat 'keilen' en haar mond op zijn lippen laat branden. De stroomversnelling is echter van korte duur.
Terug in de werkelijkheid valt ze van de drank in slaap, en heeft de fles hem dus echt beroofd van wat misschien zou kunnen zijn. Dat gebeurt. Hij moet er van huilen, sterker: hij stort zijn tranen op aarde, veel, maar wel maar één dag.
Aan Betsy
Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos
In hartverovrend achtelooze houding lag
Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch
Langzaam doordwaalden. 't was een vreeslijk heete dag.
Gij hield mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog
Van 't lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok
Door 't dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog
Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok.
Intusschen leunde ik schilderachtig op den tronk
Eens duizendjaargen eiks en vroeg mij heimlijk, wat
Voor smaak wel 't lot had, dat het aan een veldflesch schonk,
Wat droomend slechts mijn dichtermond genoten had.
O, ware 't noodlot niet alleen behept met koud
Verstand maar ook met warm gevoel, - uw poezle hand
Had plots de flesch, zoordra ze leeg was, door het woud
Gekeild, en op mijn lippen had uw mond gebrand.
Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust,
Dat de inhoud nog al koppig was, - 't was witte port, -
En sloot uw loddrige oogjes dicht en sliept gerust. -
Nooit heb ik zóóveel tranen op één dag gestort.
Nog 31 dagen tot de Piet Paaltjens Parade
Maar dan laat hij dus haar strot op en neer gaan. Niet echt een lieflijk woord. Zelfspot volgt leunde ik schilderachtig op den tronk. Terwijl zij drinkt, probeert hij zich een houding te geven, aantrekkelijk te zijn voor als ze opkijkt van de fles door zichzelf als ware hij in een schilderij te positioneren.
Enter passie en verlangen. Eerst benoemt hij haar mond nog impliciet in een treffend beeld. Ik moet ook wel een beetje lachen, hij is toch jaloers op een fles, de zelfspot is nog niet verdwenen. Dan laait de passie op als hij haar de fles laat 'keilen' en haar mond op zijn lippen laat branden. De stroomversnelling is echter van korte duur.
Terug in de werkelijkheid valt ze van de drank in slaap, en heeft de fles hem dus echt beroofd van wat misschien zou kunnen zijn. Dat gebeurt. Hij moet er van huilen, sterker: hij stort zijn tranen op aarde, veel, maar wel maar één dag.
Aan Betsy
Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos
In hartverovrend achtelooze houding lag
Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch
Langzaam doordwaalden. 't was een vreeslijk heete dag.
Gij hield mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog
Van 't lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok
Door 't dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog
Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok.
Intusschen leunde ik schilderachtig op den tronk
Eens duizendjaargen eiks en vroeg mij heimlijk, wat
Voor smaak wel 't lot had, dat het aan een veldflesch schonk,
Wat droomend slechts mijn dichtermond genoten had.
O, ware 't noodlot niet alleen behept met koud
Verstand maar ook met warm gevoel, - uw poezle hand
Had plots de flesch, zoordra ze leeg was, door het woud
Gekeild, en op mijn lippen had uw mond gebrand.
Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust,
Dat de inhoud nog al koppig was, - 't was witte port, -
En sloot uw loddrige oogjes dicht en sliept gerust. -
Nooit heb ik zóóveel tranen op één dag gestort.
Nog 31 dagen tot de Piet Paaltjens Parade
zaterdag 16 september 2017
Immortele C
Zooals ik eenmaal beminde,
Zoo minde er op aarde nooit een.
Maar 'k vond, tot wien ik mij wendde,
Slechts harten van ijs en steen.
Toen stierf mijn geloof aan de vriendschap,
Mijn hoop en mijn liefde verdween.
En, zooals mijn hart toen haatte,
Zoo haatte er op aarde nooit een.
En sombere, bittere liedren
Zijn aan mijn lippen ontgleên.
Zoo somber en bitter als ik zong,
Zoo zong er op aarde nooit een.
Verveeld heeft mij eindlijk dat haten.
Dat eeuwig gezang en geween.
Ik zweeg, en zooals ik nu zwijg,
Zoo zweeg er op aarde nooit een.
Mooi vind ik dit gedicht. Verdrietig, somber en zwart, en dat is niet mijn ding, maar het ritme wel. En hoewel ik het zwijgen triest vind, lijkt het me minder erg dan het haten. Gelukkig (als we de nummering in Snikken en Grimlachjes aan mogen houden) zweeg hij in ieder geval niet op papier.
En, het zal vast niet Paaltjens' bedoeling zijn geweest, ik koester na lezing eigenwijs de hoop dat de schrijver vanaf dit punt op den duur weer lichtpuntjes zal gaan zien. Romantische ziel, maar dan anders.
Zoo minde er op aarde nooit een.
Maar 'k vond, tot wien ik mij wendde,
Slechts harten van ijs en steen.
Toen stierf mijn geloof aan de vriendschap,
Mijn hoop en mijn liefde verdween.
En, zooals mijn hart toen haatte,
Zoo haatte er op aarde nooit een.
En sombere, bittere liedren
Zijn aan mijn lippen ontgleên.
Zoo somber en bitter als ik zong,
Zoo zong er op aarde nooit een.
Verveeld heeft mij eindlijk dat haten.
Dat eeuwig gezang en geween.
Ik zweeg, en zooals ik nu zwijg,
Zoo zweeg er op aarde nooit een.
Mooi vind ik dit gedicht. Verdrietig, somber en zwart, en dat is niet mijn ding, maar het ritme wel. En hoewel ik het zwijgen triest vind, lijkt het me minder erg dan het haten. Gelukkig (als we de nummering in Snikken en Grimlachjes aan mogen houden) zweeg hij in ieder geval niet op papier.
En, het zal vast niet Paaltjens' bedoeling zijn geweest, ik koester na lezing eigenwijs de hoop dat de schrijver vanaf dit punt op den duur weer lichtpuntjes zal gaan zien. Romantische ziel, maar dan anders.
donderdag 14 september 2017
Paaltjens en de Max Havelaar
De sigaren, de firma, de vergenoegdheid, de koffie. De brief van Piet Paaltjens voor bij de tweede druk van Snikken en Grimlachjes doet mij denken aan de Max Havelaar. Is dat te ver gezocht, is het gewoon logisch vanwege de tijd en niets meer? En die datum, 1 april, is vast ook niet toevallig, of wel?
Paaltjens heeft in ieder geval ook veel geleden.
Hoe het zit, en of het verwijzingen betreffen weet ik niet, zeker is dat HaverSchmidt en Douwes Dekker elkaar kenden en waardeerden.
Hier de tekst van de brief / het 'inleidende woordje' (bron: DBNL).
Gij verzoekt mij om een inleidend woordje voor den 2den druk van mijn Snikken en Grimlachjes, en te gelijk noodigt gij mij uit, eindelijk een begin te maken met de uitgave van mijn latere gedichten. Wat nu dat woordje betreft, - kunt gij er dezen brief voor gebruiken, zoo ga uw gang. Want ik heb roeping noch gelegenheid, een formeele inleiding aan de rijmelarijen mijner jonkheid toe te voegen. En wat de poëzie uit het tweede tijdperk van mijn leven aangaat, uit de dagen van mijn omdolingen langs stranden en op tentoonstellingen, - om u de waarheid te zeggen, die heb ik ten vure gedoemd, den avond vóór den eersten verjaardag van mijn trouwen. Ge moet namelijk weten, dat ik op dit oogenblik reeds gelukkig man en vader ben. De oudste dochter van Mevr. de Wed. Pothof heeft mij tot dien heilstaat verheven, evenals ik het aan haar te danken heb dat ik lid ben geworden der bloeiende firma Pothof & Van Balkum, in sigaren. Sinds ik mij aan mijne nieuwe betrekkingen ben gaan wijden, heeft er een algeheele verandering met mij plaats gegrepen. Was ik vroeger bleek en mager, thans ben ik kleurig en gezet. Uit mijn oogen glanst een stille vergenoegdheid en, in stede van de nare geluiden die ik weleer placht te slaken, rolt er nu om de haverklap een heldere lach of een vroolijk deuntje over mijn lippen. Want ik zing nog steeds, maar geen ‘sombere, bittere liederen’ meer. Dáár heb ik voorgoed van afgezien. En zelfs, gelijk ik reeds zeide, heb ik alles wat ik eens akeligs zong, zooveel het mij mogelijk was, plechtig vernietigd. Op een echt kouden Meiavond heb ik er voor mijn vrouw, mijn compagnon den waardigen Van Balkum, en mijzelven een keteltje bisschop boven gewarmd.
Alzoo, beste heer Roelants, wilt ge nog wat van mij hebben, kom dan om - sigaren. Of neen - heb geduld: misschien dat ik u toch nog eens met een bundeltje verzen gelukkig maken kan, maar verzen van een anderen geest dan die mij als jongeling bezeten hield. Gisteren - de scherpschutters trokken met hun nieuwe banier en onder volle muziek voorbij ons kantoor - daar ontwaakte opnieuw mijn zangdrift. Een lavastroom gelijk bruisten de vaderlandsche gevoelens uit mijn harp....
Doch ik moet eindigen: men roept mij aan de koffietafel. - Vaarwel dan en geloof mij steeds
Den heer H. A. M. Roelants, Schiedam
Mijnheer!Gij verzoekt mij om een inleidend woordje voor den 2den druk van mijn Snikken en Grimlachjes, en te gelijk noodigt gij mij uit, eindelijk een begin te maken met de uitgave van mijn latere gedichten. Wat nu dat woordje betreft, - kunt gij er dezen brief voor gebruiken, zoo ga uw gang. Want ik heb roeping noch gelegenheid, een formeele inleiding aan de rijmelarijen mijner jonkheid toe te voegen. En wat de poëzie uit het tweede tijdperk van mijn leven aangaat, uit de dagen van mijn omdolingen langs stranden en op tentoonstellingen, - om u de waarheid te zeggen, die heb ik ten vure gedoemd, den avond vóór den eersten verjaardag van mijn trouwen. Ge moet namelijk weten, dat ik op dit oogenblik reeds gelukkig man en vader ben. De oudste dochter van Mevr. de Wed. Pothof heeft mij tot dien heilstaat verheven, evenals ik het aan haar te danken heb dat ik lid ben geworden der bloeiende firma Pothof & Van Balkum, in sigaren. Sinds ik mij aan mijne nieuwe betrekkingen ben gaan wijden, heeft er een algeheele verandering met mij plaats gegrepen. Was ik vroeger bleek en mager, thans ben ik kleurig en gezet. Uit mijn oogen glanst een stille vergenoegdheid en, in stede van de nare geluiden die ik weleer placht te slaken, rolt er nu om de haverklap een heldere lach of een vroolijk deuntje over mijn lippen. Want ik zing nog steeds, maar geen ‘sombere, bittere liederen’ meer. Dáár heb ik voorgoed van afgezien. En zelfs, gelijk ik reeds zeide, heb ik alles wat ik eens akeligs zong, zooveel het mij mogelijk was, plechtig vernietigd. Op een echt kouden Meiavond heb ik er voor mijn vrouw, mijn compagnon den waardigen Van Balkum, en mijzelven een keteltje bisschop boven gewarmd.
Alzoo, beste heer Roelants, wilt ge nog wat van mij hebben, kom dan om - sigaren. Of neen - heb geduld: misschien dat ik u toch nog eens met een bundeltje verzen gelukkig maken kan, maar verzen van een anderen geest dan die mij als jongeling bezeten hield. Gisteren - de scherpschutters trokken met hun nieuwe banier en onder volle muziek voorbij ons kantoor - daar ontwaakte opnieuw mijn zangdrift. Een lavastroom gelijk bruisten de vaderlandsche gevoelens uit mijn harp....
Doch ik moet eindigen: men roept mij aan de koffietafel. - Vaarwel dan en geloof mij steeds
Uw dw. dienaar,
P. Paaltjens.
1 April 1871.
woensdag 13 september 2017
Geschoffeerd door Immortelle I
De maan glijdt langs de ruiten
En blikt mij vragend aan,
'Wat moet dat, bleeke zanger, -
In uw ooghoek glinstert een traan?'
Zoo gij de maan niet zelf waart,
'k Zou zeggen: loop naar de maan. -
Wat mij het oog doet glinsteren,
Dat gaat er geen schepsel aan.
Een flinke wending in toon en sfeer tussen het eerste en tweede couplet. Hoewel ik weet dat je bij Piet Paaltjens op je hoede moet zijn, trap ik er toch steeds weer in. Ik laat me meevoeren door de eerste regels, omwille van - ja wat eigenlijk? - negeer ik het naar mijn smaak ietwat overdreven romantische, dramatische gehalte. Ik zie de glinstering van de traan en heb medelij met de zanger die naast verdrietig ook wat ziekig lijkt te zijn, te oordelen naar zijn witte gelaat. Ik wieg mijn hoofd en hart bijna mee op het ritme.
EN DAN, bij de tweede regel van het tweede couplet, keren mijn voeten abrupt terug op aarde en mijn hersenen in mijn hoofd. Ik voel me buitengesloten en zelfs enigszins voor aap gezet. Bijna tegen mijn zin in volgt bewondering: knap toch hoe die ogenschijnlijk simpele regels die emoties los kunnen maken.
Nog 37 dagen tot de Piet Paaltjens Parade.
En blikt mij vragend aan,
'Wat moet dat, bleeke zanger, -
In uw ooghoek glinstert een traan?'
Zoo gij de maan niet zelf waart,
'k Zou zeggen: loop naar de maan. -
Wat mij het oog doet glinsteren,
Dat gaat er geen schepsel aan.
Een flinke wending in toon en sfeer tussen het eerste en tweede couplet. Hoewel ik weet dat je bij Piet Paaltjens op je hoede moet zijn, trap ik er toch steeds weer in. Ik laat me meevoeren door de eerste regels, omwille van - ja wat eigenlijk? - negeer ik het naar mijn smaak ietwat overdreven romantische, dramatische gehalte. Ik zie de glinstering van de traan en heb medelij met de zanger die naast verdrietig ook wat ziekig lijkt te zijn, te oordelen naar zijn witte gelaat. Ik wieg mijn hoofd en hart bijna mee op het ritme.
EN DAN, bij de tweede regel van het tweede couplet, keren mijn voeten abrupt terug op aarde en mijn hersenen in mijn hoofd. Ik voel me buitengesloten en zelfs enigszins voor aap gezet. Bijna tegen mijn zin in volgt bewondering: knap toch hoe die ogenschijnlijk simpele regels die emoties los kunnen maken.
Nog 37 dagen tot de Piet Paaltjens Parade.
vrijdag 24 april 2015
Immortelle XLIX
Wel menigmaal zei de melkboer Des morgens tot haar meid: ''De stoep is weer nat''. Och, hij wist niet Dat er 's nachts op die stoep was geschreid. Nu dat hij en de meid het niet wisten, Dat was minder; -- maar dat zij Er hoegenaamd niets van vermoedde Dat was wel hard voor mij.Piet Paaltjens
Ik moest aan dit gedichtje denken, omdat de stoep vanochtend nat was en ik dat een tijdje niet gezien heb. Helaas niet door de tranen van een aanbidder. Hoewel, misschien zijn regendruppels de tranen van god en houdt hij van me. Als hij bestaat, dan houdt hij van me, want volgens mij verdien je de titel 'god' niet als je niet van iedereen houdt. Maar dat was niet helemaal de kant die ik op wilde met dit blog.
Er gaan altijd wat radertjes draaien als ik dit gedichtje lees. Over wie gaat het? Wat zijn de relaties? Ik heb toen ik het voor het eerst las, zelfs een paar verschillende drukken vergeleken of het wel klopte wat er stond. Het klopt en het is een echte Snik.
zaterdag 14 juli 2012
Die van Knaap de kapper o.a.
Dag vijf van onze raampoëzie. Snikken en Grimlachjes van Piet Paaltjens
Op blz. 30 nummer LX
Toen Knaap mij de laatste maal knipte,
Was hij aangedaan onder zijn werk.
"Wat wordt u al grijs!" sprak hij somber,
"Ik vrees, u studeert te sterk."
En Jongmans, toen hij mij gistren
De maat voor een pantalon nam,
Keek van mijn magerheid zóó op,
Dat ik dacht, dat hem iets overkwam.
Vater Muller ontzei me zijn tafel.
Ze verliep anders heelemaal.
Mijn holle kaak deed de lui denken.
Het eten was bij hem zo schraal.
En mijn oppasser heeft zelfs den ploert al
Een goed woord voor een draagplaats verzocht,
Als soms mijnheers begraafnis
Te Leiden plaats hebben mocht.
Maar wie er ook zien en beweenen,
Dat ik zoo jong moet vergaan,
Niet hare grijsblauwe oogjes,
En die hebben 't mij juist gedaan.
Op blz. 30 nummer LX
Toen Knaap mij de laatste maal knipte,
Was hij aangedaan onder zijn werk.
"Wat wordt u al grijs!" sprak hij somber,
"Ik vrees, u studeert te sterk."
En Jongmans, toen hij mij gistren
De maat voor een pantalon nam,
Keek van mijn magerheid zóó op,
Dat ik dacht, dat hem iets overkwam.
Vater Muller ontzei me zijn tafel.
Ze verliep anders heelemaal.
Mijn holle kaak deed de lui denken.
Het eten was bij hem zo schraal.
En mijn oppasser heeft zelfs den ploert al
Een goed woord voor een draagplaats verzocht,
Als soms mijnheers begraafnis
Te Leiden plaats hebben mocht.
Maar wie er ook zien en beweenen,
Dat ik zoo jong moet vergaan,
Niet hare grijsblauwe oogjes,
En die hebben 't mij juist gedaan.
Die van de melkboer
Dag vier van onze raampoëzie, Snikken en Grimlachjes van Piet Paaltjens.
Op blz. 29 nummer XLIX
Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
'De stoep is weer nat.'Och, hij wist niet
Dat er 's nachts op die stoep was geschreid.
Nu, dat hij en de meid het niet wisten,
Dat was minder;-maar dat zij
Er hoegenaamd niets van vermoedde,
Dat was wel hard voor mij.
Op blz. 29 nummer XLIX
Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
'De stoep is weer nat.'Och, hij wist niet
Dat er 's nachts op die stoep was geschreid.
Nu, dat hij en de meid het niet wisten,
Dat was minder;-maar dat zij
Er hoegenaamd niets van vermoedde,
Dat was wel hard voor mij.
XXIII
Dag vier van onze raampoëzie, Snikken en Grimlachjes van Piet Paaltjens.
Op blz. 28 nr. XXXIII
Mijn hart was toegevroren,
Mijn tranen vloeiden niet meer.
Toen trof mij haar gloeiende blikstraal,
En de wateren ruischten weer.
O ware ik toch verdronken
In den bitterzilten vloed!
In brakke liefdetranen
Te smoren is honingzoet.
Op blz. 28 nr. XXXIII
Mijn hart was toegevroren,
Mijn tranen vloeiden niet meer.
Toen trof mij haar gloeiende blikstraal,
En de wateren ruischten weer.
O ware ik toch verdronken
In den bitterzilten vloed!
In brakke liefdetranen
Te smoren is honingzoet.
Abonneren op:
Posts (Atom)
