Een lezenswaardig boek dat je laat nadenken over de mens, politiek, de zin van het bestaan en nog wat van die dingen. Geen lichte kost dus. De eerste zin laat daar geen twijfel over bestaan:
De wereld telt vandaag de dag talloze mensen die allen in een oorlog willens en wetens hebben gemoord.
Dahl is uitgebreid in zijn beschrijvingen. Als er rapporten komen uit alle landen van de wereld, komt hij pas na bespreking van maar liefst twaalf rapporten van 12 landen met de zin "En zo werd de hoorzitting voortgezet." Dat had voor mij iets eerder gemogen, het verhaal had met minder landen verteld kunnen worden.
Ook de beschrijving van de gesprekken van de piloten na de ontdekking van de Gremlins, eerst de eerste en de volgende dag meerdere soorten is mij wat te uitgebreid. Andere stukken zoals de razende zinnen over de laatste vlucht van Peternip zijn beter aan mij besteed, van het begin tot bijna het einde (als hij gaat landen, haak ik af).
Ik ben niet zo van de fantasiefiguren, maar het is, ondanks het einde van het boek (daarvoor moet je het echt even lezen) de vraag in hoeverre Gremlins alleen maar fantasiefiguren zijn. Ik heb in ieder geval wat geleerd over de ontstaansgeschiedenis van deze wezentjes.
Dahl schetst een somber beeld van de mens. En hoewel dit boek uit 1948 zeker een aantal pijnlijk observaties doet die vandaag de dag helemaal niet zo gedateerd overkomen, vind ik hem wat te pessimistisch met die derde en vierde wereldoorlog. Gelukkig drukt het sombere geen al te zwaar stempel op het boek als geheel.
Personen en relaties worden niet ver uitgediept, de gremlinleider misschien nog wel het meest. Maar ze gaan zeker leven en het niveau is passend bij dit verhaal dat niet zozeer over de individuele mens gaat.
Ik las de vertaling van Rob van der Veer voor Meulenhoff. Geen briljante uitgave, bijvoorbeeld acre vertaald als akker en veel zetfouten. Maar al met al toch lekker gelezen en een aanrader dus.
Ik schrijf, vaak over Nederlandse literatuur, soms over andere (taalgerelateerde) zaken. Het zijn persoonlijke observaties en weergaven. Ik lees het eerlijk gezegd graag terug. U bent welkom om mee te lezen. Ik vind het leuk als u er iets aan heeft (plezier, inspiratie, informatie, ...)
Posts tonen met het label 1948. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1948. Alle posts tonen
zondag 19 april 2020
woensdag 7 juni 2017
Prins Wipneus en zijn vriendje van B. van Wijckmade
Dit is het eerste deeltje van de serie. Wat mij opvalt is, dat Wipneus en Pim een groot deel van het avontuur gescheiden doorbrengen. Ze zijn wel dikke vriendjes en trekken er samen op uit, maar als het avontuur begint raken ze al gauw gescheiden.
Wipneus is eigenlijk weinig held in dit verhaal. Hij wil in het begin al niet naar de andere boot varen (wat overigens verstandig was geweest). Waar Pim heftig tegenstribbelt, laat Wipneus zich gewoon gevangen nemen. Wipneus wordt pas een beetje opstandig als hij al heel hard heeft gewerkt voor de tovenaar en het dan nog niet goed genoeg is. Dan wordt hij gered door Fleuretta de elfenkoningin, daar hoeft hij zelf weinig heldhaftigs voor te doen.
Pim ontsnapt zelf. Hij moet vervolgens wel gered worden van zee door de Watermannetjes, maar toch. En vervolgens redt hij de Watermannetjes van de draak. Pim is een echte held, hoewel hij later zich ook weer laat betoveren samen met de Watermannetjes en ze gered moeten worden door de Bloemenelfjes.
Het doden van de draak gaat met een hoop geweld en bloed. Ook eerder heeft Pim al gedroomd dat hij de tovenaar hard staat te slaan terwijl deze al vastgebonden is. De kinderziel hoeft blijkbaar niet gespaard te worden van geweld.
Er komen weinig vrouwen of meisjes in de verhalen voor, zo zijn er alleen maar kabouterjongens en geen kaboutermeisjes. Ik roep altijd dat ik niet zoveel met feminisme heb, maar ik vind het toch leuk dat de echte helden van dit verhaal meisjes zijn.
De koningin krijgt daarvoor overigens drie keer een hand. Zouden dat oorspronkelijk zoenen geweest zijn? Zoenen die 'eruit gecorrigeerd' zijn?
Wat er pas veel later uit gecorrigeerd is, zijn de wat incorrecte teksten over negers, bijvoorbeeld: "... net een neger; Brrr... om er kippevel van te krijgen."
Pim scoort in dit verhaal hun eerste bijzondere vervoersmiddel: De zilveren vis (genaamd Pim), een bootje met een afdak, dat heel snel kan varen. Volgens mij komt die later nog terug.
Verder opmerkelijk: Pim wordt mager genoemd in dit verhaal. Ik dacht dat hij in andere verhaaltjes neergezet werd als een beetje een dikkerd, in ieder geval als een kaboutertje dat veel van eten houdt.
Wipneus is eigenlijk weinig held in dit verhaal. Hij wil in het begin al niet naar de andere boot varen (wat overigens verstandig was geweest). Waar Pim heftig tegenstribbelt, laat Wipneus zich gewoon gevangen nemen. Wipneus wordt pas een beetje opstandig als hij al heel hard heeft gewerkt voor de tovenaar en het dan nog niet goed genoeg is. Dan wordt hij gered door Fleuretta de elfenkoningin, daar hoeft hij zelf weinig heldhaftigs voor te doen.
Pim ontsnapt zelf. Hij moet vervolgens wel gered worden van zee door de Watermannetjes, maar toch. En vervolgens redt hij de Watermannetjes van de draak. Pim is een echte held, hoewel hij later zich ook weer laat betoveren samen met de Watermannetjes en ze gered moeten worden door de Bloemenelfjes.
Het doden van de draak gaat met een hoop geweld en bloed. Ook eerder heeft Pim al gedroomd dat hij de tovenaar hard staat te slaan terwijl deze al vastgebonden is. De kinderziel hoeft blijkbaar niet gespaard te worden van geweld.
Er komen weinig vrouwen of meisjes in de verhalen voor, zo zijn er alleen maar kabouterjongens en geen kaboutermeisjes. Ik roep altijd dat ik niet zoveel met feminisme heb, maar ik vind het toch leuk dat de echte helden van dit verhaal meisjes zijn.
De koningin krijgt daarvoor overigens drie keer een hand. Zouden dat oorspronkelijk zoenen geweest zijn? Zoenen die 'eruit gecorrigeerd' zijn?
Wat er pas veel later uit gecorrigeerd is, zijn de wat incorrecte teksten over negers, bijvoorbeeld: "... net een neger; Brrr... om er kippevel van te krijgen."
Pim scoort in dit verhaal hun eerste bijzondere vervoersmiddel: De zilveren vis (genaamd Pim), een bootje met een afdak, dat heel snel kan varen. Volgens mij komt die later nog terug.
Verder opmerkelijk: Pim wordt mager genoemd in dit verhaal. Ik dacht dat hij in andere verhaaltjes neergezet werd als een beetje een dikkerd, in ieder geval als een kaboutertje dat veel van eten houdt.
Het verhaal: Wipneus en Pim zijn voor de lol aan het varen op de Sprookjeszee. Ze zien lichtjes, varen eropaf en worden gevangen genomen door een tovenaar. Pim ontsnapt, maar verdwaalt op zee. Hij wordt gered door de Watermannetjes, die hij dan vervolgens weer redt van een draak. Samen gaan ze op pad om Wipneus te redden. De tong van de dode draak gaat ze daarbij helpen, want die kan mensen verlammen.
Wipneus is intussen al gered door de koningin van de bloemenelfjes. Zij gaat Pim zoeken en ziet dat de reddingspoging van de Watermannetjes en Pim mislukt; de tovenaar verandert ze in kikkers. Ze gaat versterking halen. Samen met Wipneus en haar Bloemenelfjes vangt ze de tovenaar en zijn matrozen (met brandnetels), en onttovert de Watermannetjes.
Voor een behoorlijk compleet verhaal over Wipneus en Pim, zie inzichten.nl
donderdag 17 juli 2014
1984 van George Orwell
Intrigerend boek waar je niet vrolijk van wordt. Qua taal vind ik het niet altijd lekker lezen, daar moet het het niet van hebben voor mij. Er is genoeg anders. Wat het zegt over taal is wel intrigerend en graag zou ik alle regels van Nieuwspraak en gewoon het hele woordenboek kennen.
Thema is onmiskenbaar de totalitaire staat waar je nergens veilg bent, zelfs niet in je hoofd. Vertoont de huidige maatschappij nou trekjes van het Oceanië uit het boek? Ik denk dat het een groot verschil is dat er niet één organisatie met één doel achter zit in de huidige maatschappij. Je wordt overal in de gaten gehouden, maar vooral door verschillende commerciële instellingen. Maar misschien is dat naïef en komt al die info ook bij één overheidsinstantie. Dat is dan toch ook een verschil want in Oceanië weet iedereen dat hij bekeken wordt. Ik zie het boek ook meer als een aanklacht tegen ‘andere regimes’ dan een waarschuwing voor waar we naartoe zouden gaan. Maar dat is misschien meer geredeneerd vanuit 2014 dan vanuit 1948.
Opmerkelijk dat familierelaties ondermijnd worden. Ik heb me nooit zo gerealiseerd dat dat sterke krachten zijn die je als totalitaire staat kunt gebruiken (de dreiging dat familieleden bij een evt. straf betrokken worden, werkt zeer preventief) of kunt ondermijnen zodat het niet tegen je ingezet kan worden. Hier gebeurt het laatste. En tegelijkertijd, zoals ook al in het boek zelf geconstateerd wordt, wordt de grote leider aangeduid met ‘broer’.
Labels:
1948,
angst voor techniek,
Engels,
Familie,
Liefde,
Orwell,
socialisme,
taal,
totalitaire staat
woensdag 24 april 2013
Oeroeg van Hella S. Haasse
Heerlijk lezen, hoewel heerlijk misschien niet het juiste woord is.
Vanaf het begin hangt er een dreiging boven het verhaal dat er iets mis zal gaan. Oeroeg neemt de dingen in het leven zoals ze komen, en dat lijkt ook te gelden voor de vriendschap. Lijkt, want omdat alles vanuit het perspectief van de andere jongen verteld wordt, is het zijn observatie. Vanaf het vroegste begin houdt Oeroeg bewust of onbewust enige afstand. Toch houdt de band stand zolang ze dicht bij elkaar blijven.
Ondanks de dreiging is het ook een mooi verhaal over een min of meer onbezorgde jeugd en spelen en opgroeien in de mooie Preanger (de in Nederlands-Indië gebruikte aanduiding voor het het bergland ten zuiden van de zogenaamde 'Ommelanden' rond Batavia).
Oeroeg wordt vaak gezien als een boek over vriendschap die teloor gaat. De vriendschap die de verteller voelt voor zijn Oeroeg gaat echter niet over. Hij raakt alleen zijn Oeroeg kwijt, en bovendien beseft hij dat hij Oeroeg nooit helemaal gekend heeft. 'Ik heb zelfs het vermogen verloren hem te herkennen.' en 'Het is overbodig toe te geven dat ik hem niet begreep. Ik kende hem, zoals ik Telaga Hideung kende - een spiegelende oppervlakte. De diepte peilde ik nooit.'
Het gaat natuurlijk ook over de tegenstelling tussen 'inlanders' en Hollanders. Oeroeg is zich bewust van het verschil, en terwijl hij opgroeit gaat hij daar op verschillende manieren mee om. Lang weigert hij Nederlands te praten of is er in ieder geval heel verlegen bij, maar halverwege praat hij alleen nog maar Nederlands. Er is ook een periode dat hij aansluiting zoekt (en vindt) bij de halfbloeden waar hij eerder op neerkeek. Uiteindelijk zien we hem opgenomen in en deelnemend aan de 'Mohammedaanse' gemeenschap. Alleen Lida lijkt als Hollandse geïntegreerd te zijn in die gemeenschap.
Tot slot gaat het ook over het verloren gaan van een vaderland, van de plek waar je opgegroeid bent en aan gehecht bent. 'Het landschap dat zich bij de kromming van de weg voor mij uitstrekte, kende ik zelfs niet uit angstdromen. De zwartgeblakerde heuvelkammen waren spookachtig naakt. De truck reed omhoog langs de weg als tussen de ribben van een geweldig kadaver.' Zelfs het huis staat er niet meer. 'Ben ik voorgoed een vreemde in het land van mijn geboorte, op de grond vanwaar ik niet verplant wil zijn? De tijd zal het leren.' Hoewel de novelle en zeker het einde me en triest gevoel geven, biedt de laatste zin nog hoop. Het zou ook goed kunnen komen tussen de ik-figuur en zijn geboorteland (maar dan moet er nog veel gebeuren).
Vanaf het begin hangt er een dreiging boven het verhaal dat er iets mis zal gaan. Oeroeg neemt de dingen in het leven zoals ze komen, en dat lijkt ook te gelden voor de vriendschap. Lijkt, want omdat alles vanuit het perspectief van de andere jongen verteld wordt, is het zijn observatie. Vanaf het vroegste begin houdt Oeroeg bewust of onbewust enige afstand. Toch houdt de band stand zolang ze dicht bij elkaar blijven.
Ondanks de dreiging is het ook een mooi verhaal over een min of meer onbezorgde jeugd en spelen en opgroeien in de mooie Preanger (de in Nederlands-Indië gebruikte aanduiding voor het het bergland ten zuiden van de zogenaamde 'Ommelanden' rond Batavia).
Oeroeg wordt vaak gezien als een boek over vriendschap die teloor gaat. De vriendschap die de verteller voelt voor zijn Oeroeg gaat echter niet over. Hij raakt alleen zijn Oeroeg kwijt, en bovendien beseft hij dat hij Oeroeg nooit helemaal gekend heeft. 'Ik heb zelfs het vermogen verloren hem te herkennen.' en 'Het is overbodig toe te geven dat ik hem niet begreep. Ik kende hem, zoals ik Telaga Hideung kende - een spiegelende oppervlakte. De diepte peilde ik nooit.'
Het gaat natuurlijk ook over de tegenstelling tussen 'inlanders' en Hollanders. Oeroeg is zich bewust van het verschil, en terwijl hij opgroeit gaat hij daar op verschillende manieren mee om. Lang weigert hij Nederlands te praten of is er in ieder geval heel verlegen bij, maar halverwege praat hij alleen nog maar Nederlands. Er is ook een periode dat hij aansluiting zoekt (en vindt) bij de halfbloeden waar hij eerder op neerkeek. Uiteindelijk zien we hem opgenomen in en deelnemend aan de 'Mohammedaanse' gemeenschap. Alleen Lida lijkt als Hollandse geïntegreerd te zijn in die gemeenschap.
Tot slot gaat het ook over het verloren gaan van een vaderland, van de plek waar je opgegroeid bent en aan gehecht bent. 'Het landschap dat zich bij de kromming van de weg voor mij uitstrekte, kende ik zelfs niet uit angstdromen. De zwartgeblakerde heuvelkammen waren spookachtig naakt. De truck reed omhoog langs de weg als tussen de ribben van een geweldig kadaver.' Zelfs het huis staat er niet meer. 'Ben ik voorgoed een vreemde in het land van mijn geboorte, op de grond vanwaar ik niet verplant wil zijn? De tijd zal het leren.' Hoewel de novelle en zeker het einde me en triest gevoel geven, biedt de laatste zin nog hoop. Het zou ook goed kunnen komen tussen de ik-figuur en zijn geboorteland (maar dan moet er nog veel gebeuren).
Abonneren op:
Posts (Atom)



