Gewoon even een overzichtje voor mezelf omdat ik deze Russische schrijvers altijd door elkaar haal. Zeg nou zelf: Misdaad en straf en Oorlog en vrede zijn toch titels die klinken alsof ze door dezelfde auteur geschreven zijn.
Dostojevski (1821 -1881)
Gebroeders Karamazov, Misdaad en straf, De idioot, De speler.
Tolstoj (1828 - 1910)
Oorlog en vrede, Anna Karenina
Tsjechov (1860 - 1904)
De weddenschap, Een trieste geschiedenis, Zaal no. 6 (1892), en De dame met het hondje.
Ik schrijf, vaak over Nederlandse literatuur, soms over andere (taalgerelateerde) zaken. Het zijn persoonlijke observaties en weergaven. Ik lees het eerlijk gezegd graag terug. U bent welkom om mee te lezen. Ik vind het leuk als u er iets aan heeft (plezier, inspiratie, informatie, ...)
Posts tonen met het label 19e eeuw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 19e eeuw. Alle posts tonen
zondag 27 januari 2019
zaterdag 30 september 2017
Immortelle XVI
Zijn goudblonde lokken en knevel,
Zijn geestvolle neus en mond,
Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem
En zijn New-Foundlandsche hond,
Ik moet er gedurig aan denken;
Zelfs adem ik soms nog flauw
Den geur in van zijn sigaren.
Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw.
Ruik ik opnieuw die sigaren,
Dan word ik eensklaps zoo raar.
Is ‘t, omdat hij ze rookte,
Of was de tabak mij te zwaar?
Melancholisch, dat wel, maar echt diep somber is het niet. Geen spoortje spot, sarcasme, cynisme. Of misschien toch? Wat doet die hond in de beschrijving? Dat kan, vind ik. Het beeld van sommige mensen is pas echt compleet met hun hond, zeker als je een beetje romantisch bent.
Over wie gaat het? Een goede vriend? Het moet in ieder geval een Leienaar geweest zijn, Blaauw was een sigarenboer aldaar. Hadden studenten honden in die tijd? Nu is dat toch eerder een uitzondering.
Ik vind het een fijn gedicht. Waarom? Zie de eerste alinea onder het gedicht. Ik had over dit gedicht heen gelezen tot Clean Pete het kwam zingen. Toen viel me ineens op hoe lief dit gedicht is. Daar ben ik de dames wel een beetje dankbaar voor.
Nog 20 dagen tot de Piet Paaltjens Parade.
Zijn geestvolle neus en mond,
Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem
En zijn New-Foundlandsche hond,
Ik moet er gedurig aan denken;
Zelfs adem ik soms nog flauw
Den geur in van zijn sigaren.
Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw.
Ruik ik opnieuw die sigaren,
Dan word ik eensklaps zoo raar.
Is ‘t, omdat hij ze rookte,
Of was de tabak mij te zwaar?
Melancholisch, dat wel, maar echt diep somber is het niet. Geen spoortje spot, sarcasme, cynisme. Of misschien toch? Wat doet die hond in de beschrijving? Dat kan, vind ik. Het beeld van sommige mensen is pas echt compleet met hun hond, zeker als je een beetje romantisch bent.
Over wie gaat het? Een goede vriend? Het moet in ieder geval een Leienaar geweest zijn, Blaauw was een sigarenboer aldaar. Hadden studenten honden in die tijd? Nu is dat toch eerder een uitzondering.
Ik vind het een fijn gedicht. Waarom? Zie de eerste alinea onder het gedicht. Ik had over dit gedicht heen gelezen tot Clean Pete het kwam zingen. Toen viel me ineens op hoe lief dit gedicht is. Daar ben ik de dames wel een beetje dankbaar voor.
Nog 20 dagen tot de Piet Paaltjens Parade.
maandag 18 september 2017
Aan Betsy
Strot. Strot is het woord in dit gedicht dat mij doet struikelen. 'O ja, ik lees Piet Paaltjens'. Ik was nog in de stemming opgeroepen door de hartverovrend achtelooze houding en, vooruit, de rozenlipjes. Vooral die eerste, dat is toch mooi, en onschuldig en beelden-oproepend?
Maar dan laat hij dus haar strot op en neer gaan. Niet echt een lieflijk woord. Zelfspot volgt leunde ik schilderachtig op den tronk. Terwijl zij drinkt, probeert hij zich een houding te geven, aantrekkelijk te zijn voor als ze opkijkt van de fles door zichzelf als ware hij in een schilderij te positioneren.
Enter passie en verlangen. Eerst benoemt hij haar mond nog impliciet in een treffend beeld. Ik moet ook wel een beetje lachen, hij is toch jaloers op een fles, de zelfspot is nog niet verdwenen. Dan laait de passie op als hij haar de fles laat 'keilen' en haar mond op zijn lippen laat branden. De stroomversnelling is echter van korte duur.
Terug in de werkelijkheid valt ze van de drank in slaap, en heeft de fles hem dus echt beroofd van wat misschien zou kunnen zijn. Dat gebeurt. Hij moet er van huilen, sterker: hij stort zijn tranen op aarde, veel, maar wel maar één dag.
Aan Betsy
Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos
In hartverovrend achtelooze houding lag
Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch
Langzaam doordwaalden. 't was een vreeslijk heete dag.
Gij hield mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog
Van 't lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok
Door 't dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog
Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok.
Intusschen leunde ik schilderachtig op den tronk
Eens duizendjaargen eiks en vroeg mij heimlijk, wat
Voor smaak wel 't lot had, dat het aan een veldflesch schonk,
Wat droomend slechts mijn dichtermond genoten had.
O, ware 't noodlot niet alleen behept met koud
Verstand maar ook met warm gevoel, - uw poezle hand
Had plots de flesch, zoordra ze leeg was, door het woud
Gekeild, en op mijn lippen had uw mond gebrand.
Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust,
Dat de inhoud nog al koppig was, - 't was witte port, -
En sloot uw loddrige oogjes dicht en sliept gerust. -
Nooit heb ik zóóveel tranen op één dag gestort.
Nog 31 dagen tot de Piet Paaltjens Parade
Maar dan laat hij dus haar strot op en neer gaan. Niet echt een lieflijk woord. Zelfspot volgt leunde ik schilderachtig op den tronk. Terwijl zij drinkt, probeert hij zich een houding te geven, aantrekkelijk te zijn voor als ze opkijkt van de fles door zichzelf als ware hij in een schilderij te positioneren.
Enter passie en verlangen. Eerst benoemt hij haar mond nog impliciet in een treffend beeld. Ik moet ook wel een beetje lachen, hij is toch jaloers op een fles, de zelfspot is nog niet verdwenen. Dan laait de passie op als hij haar de fles laat 'keilen' en haar mond op zijn lippen laat branden. De stroomversnelling is echter van korte duur.
Terug in de werkelijkheid valt ze van de drank in slaap, en heeft de fles hem dus echt beroofd van wat misschien zou kunnen zijn. Dat gebeurt. Hij moet er van huilen, sterker: hij stort zijn tranen op aarde, veel, maar wel maar één dag.
Aan Betsy
Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos
In hartverovrend achtelooze houding lag
Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch
Langzaam doordwaalden. 't was een vreeslijk heete dag.
Gij hield mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog
Van 't lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok
Door 't dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog
Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok.
Intusschen leunde ik schilderachtig op den tronk
Eens duizendjaargen eiks en vroeg mij heimlijk, wat
Voor smaak wel 't lot had, dat het aan een veldflesch schonk,
Wat droomend slechts mijn dichtermond genoten had.
O, ware 't noodlot niet alleen behept met koud
Verstand maar ook met warm gevoel, - uw poezle hand
Had plots de flesch, zoordra ze leeg was, door het woud
Gekeild, en op mijn lippen had uw mond gebrand.
Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust,
Dat de inhoud nog al koppig was, - 't was witte port, -
En sloot uw loddrige oogjes dicht en sliept gerust. -
Nooit heb ik zóóveel tranen op één dag gestort.
Nog 31 dagen tot de Piet Paaltjens Parade
zaterdag 16 september 2017
Immortele C
Zooals ik eenmaal beminde,
Zoo minde er op aarde nooit een.
Maar 'k vond, tot wien ik mij wendde,
Slechts harten van ijs en steen.
Toen stierf mijn geloof aan de vriendschap,
Mijn hoop en mijn liefde verdween.
En, zooals mijn hart toen haatte,
Zoo haatte er op aarde nooit een.
En sombere, bittere liedren
Zijn aan mijn lippen ontgleên.
Zoo somber en bitter als ik zong,
Zoo zong er op aarde nooit een.
Verveeld heeft mij eindlijk dat haten.
Dat eeuwig gezang en geween.
Ik zweeg, en zooals ik nu zwijg,
Zoo zweeg er op aarde nooit een.
Mooi vind ik dit gedicht. Verdrietig, somber en zwart, en dat is niet mijn ding, maar het ritme wel. En hoewel ik het zwijgen triest vind, lijkt het me minder erg dan het haten. Gelukkig (als we de nummering in Snikken en Grimlachjes aan mogen houden) zweeg hij in ieder geval niet op papier.
En, het zal vast niet Paaltjens' bedoeling zijn geweest, ik koester na lezing eigenwijs de hoop dat de schrijver vanaf dit punt op den duur weer lichtpuntjes zal gaan zien. Romantische ziel, maar dan anders.
Zoo minde er op aarde nooit een.
Maar 'k vond, tot wien ik mij wendde,
Slechts harten van ijs en steen.
Toen stierf mijn geloof aan de vriendschap,
Mijn hoop en mijn liefde verdween.
En, zooals mijn hart toen haatte,
Zoo haatte er op aarde nooit een.
En sombere, bittere liedren
Zijn aan mijn lippen ontgleên.
Zoo somber en bitter als ik zong,
Zoo zong er op aarde nooit een.
Verveeld heeft mij eindlijk dat haten.
Dat eeuwig gezang en geween.
Ik zweeg, en zooals ik nu zwijg,
Zoo zweeg er op aarde nooit een.
Mooi vind ik dit gedicht. Verdrietig, somber en zwart, en dat is niet mijn ding, maar het ritme wel. En hoewel ik het zwijgen triest vind, lijkt het me minder erg dan het haten. Gelukkig (als we de nummering in Snikken en Grimlachjes aan mogen houden) zweeg hij in ieder geval niet op papier.
En, het zal vast niet Paaltjens' bedoeling zijn geweest, ik koester na lezing eigenwijs de hoop dat de schrijver vanaf dit punt op den duur weer lichtpuntjes zal gaan zien. Romantische ziel, maar dan anders.
donderdag 14 september 2017
Paaltjens en de Max Havelaar
De sigaren, de firma, de vergenoegdheid, de koffie. De brief van Piet Paaltjens voor bij de tweede druk van Snikken en Grimlachjes doet mij denken aan de Max Havelaar. Is dat te ver gezocht, is het gewoon logisch vanwege de tijd en niets meer? En die datum, 1 april, is vast ook niet toevallig, of wel?
Paaltjens heeft in ieder geval ook veel geleden.
Hoe het zit, en of het verwijzingen betreffen weet ik niet, zeker is dat HaverSchmidt en Douwes Dekker elkaar kenden en waardeerden.
Hier de tekst van de brief / het 'inleidende woordje' (bron: DBNL).
Gij verzoekt mij om een inleidend woordje voor den 2den druk van mijn Snikken en Grimlachjes, en te gelijk noodigt gij mij uit, eindelijk een begin te maken met de uitgave van mijn latere gedichten. Wat nu dat woordje betreft, - kunt gij er dezen brief voor gebruiken, zoo ga uw gang. Want ik heb roeping noch gelegenheid, een formeele inleiding aan de rijmelarijen mijner jonkheid toe te voegen. En wat de poëzie uit het tweede tijdperk van mijn leven aangaat, uit de dagen van mijn omdolingen langs stranden en op tentoonstellingen, - om u de waarheid te zeggen, die heb ik ten vure gedoemd, den avond vóór den eersten verjaardag van mijn trouwen. Ge moet namelijk weten, dat ik op dit oogenblik reeds gelukkig man en vader ben. De oudste dochter van Mevr. de Wed. Pothof heeft mij tot dien heilstaat verheven, evenals ik het aan haar te danken heb dat ik lid ben geworden der bloeiende firma Pothof & Van Balkum, in sigaren. Sinds ik mij aan mijne nieuwe betrekkingen ben gaan wijden, heeft er een algeheele verandering met mij plaats gegrepen. Was ik vroeger bleek en mager, thans ben ik kleurig en gezet. Uit mijn oogen glanst een stille vergenoegdheid en, in stede van de nare geluiden die ik weleer placht te slaken, rolt er nu om de haverklap een heldere lach of een vroolijk deuntje over mijn lippen. Want ik zing nog steeds, maar geen ‘sombere, bittere liederen’ meer. Dáár heb ik voorgoed van afgezien. En zelfs, gelijk ik reeds zeide, heb ik alles wat ik eens akeligs zong, zooveel het mij mogelijk was, plechtig vernietigd. Op een echt kouden Meiavond heb ik er voor mijn vrouw, mijn compagnon den waardigen Van Balkum, en mijzelven een keteltje bisschop boven gewarmd.
Alzoo, beste heer Roelants, wilt ge nog wat van mij hebben, kom dan om - sigaren. Of neen - heb geduld: misschien dat ik u toch nog eens met een bundeltje verzen gelukkig maken kan, maar verzen van een anderen geest dan die mij als jongeling bezeten hield. Gisteren - de scherpschutters trokken met hun nieuwe banier en onder volle muziek voorbij ons kantoor - daar ontwaakte opnieuw mijn zangdrift. Een lavastroom gelijk bruisten de vaderlandsche gevoelens uit mijn harp....
Doch ik moet eindigen: men roept mij aan de koffietafel. - Vaarwel dan en geloof mij steeds
Den heer H. A. M. Roelants, Schiedam
Mijnheer!Gij verzoekt mij om een inleidend woordje voor den 2den druk van mijn Snikken en Grimlachjes, en te gelijk noodigt gij mij uit, eindelijk een begin te maken met de uitgave van mijn latere gedichten. Wat nu dat woordje betreft, - kunt gij er dezen brief voor gebruiken, zoo ga uw gang. Want ik heb roeping noch gelegenheid, een formeele inleiding aan de rijmelarijen mijner jonkheid toe te voegen. En wat de poëzie uit het tweede tijdperk van mijn leven aangaat, uit de dagen van mijn omdolingen langs stranden en op tentoonstellingen, - om u de waarheid te zeggen, die heb ik ten vure gedoemd, den avond vóór den eersten verjaardag van mijn trouwen. Ge moet namelijk weten, dat ik op dit oogenblik reeds gelukkig man en vader ben. De oudste dochter van Mevr. de Wed. Pothof heeft mij tot dien heilstaat verheven, evenals ik het aan haar te danken heb dat ik lid ben geworden der bloeiende firma Pothof & Van Balkum, in sigaren. Sinds ik mij aan mijne nieuwe betrekkingen ben gaan wijden, heeft er een algeheele verandering met mij plaats gegrepen. Was ik vroeger bleek en mager, thans ben ik kleurig en gezet. Uit mijn oogen glanst een stille vergenoegdheid en, in stede van de nare geluiden die ik weleer placht te slaken, rolt er nu om de haverklap een heldere lach of een vroolijk deuntje over mijn lippen. Want ik zing nog steeds, maar geen ‘sombere, bittere liederen’ meer. Dáár heb ik voorgoed van afgezien. En zelfs, gelijk ik reeds zeide, heb ik alles wat ik eens akeligs zong, zooveel het mij mogelijk was, plechtig vernietigd. Op een echt kouden Meiavond heb ik er voor mijn vrouw, mijn compagnon den waardigen Van Balkum, en mijzelven een keteltje bisschop boven gewarmd.
Alzoo, beste heer Roelants, wilt ge nog wat van mij hebben, kom dan om - sigaren. Of neen - heb geduld: misschien dat ik u toch nog eens met een bundeltje verzen gelukkig maken kan, maar verzen van een anderen geest dan die mij als jongeling bezeten hield. Gisteren - de scherpschutters trokken met hun nieuwe banier en onder volle muziek voorbij ons kantoor - daar ontwaakte opnieuw mijn zangdrift. Een lavastroom gelijk bruisten de vaderlandsche gevoelens uit mijn harp....
Doch ik moet eindigen: men roept mij aan de koffietafel. - Vaarwel dan en geloof mij steeds
Uw dw. dienaar,
P. Paaltjens.
1 April 1871.
woensdag 13 september 2017
Geschoffeerd door Immortelle I
De maan glijdt langs de ruiten
En blikt mij vragend aan,
'Wat moet dat, bleeke zanger, -
In uw ooghoek glinstert een traan?'
Zoo gij de maan niet zelf waart,
'k Zou zeggen: loop naar de maan. -
Wat mij het oog doet glinsteren,
Dat gaat er geen schepsel aan.
Een flinke wending in toon en sfeer tussen het eerste en tweede couplet. Hoewel ik weet dat je bij Piet Paaltjens op je hoede moet zijn, trap ik er toch steeds weer in. Ik laat me meevoeren door de eerste regels, omwille van - ja wat eigenlijk? - negeer ik het naar mijn smaak ietwat overdreven romantische, dramatische gehalte. Ik zie de glinstering van de traan en heb medelij met de zanger die naast verdrietig ook wat ziekig lijkt te zijn, te oordelen naar zijn witte gelaat. Ik wieg mijn hoofd en hart bijna mee op het ritme.
EN DAN, bij de tweede regel van het tweede couplet, keren mijn voeten abrupt terug op aarde en mijn hersenen in mijn hoofd. Ik voel me buitengesloten en zelfs enigszins voor aap gezet. Bijna tegen mijn zin in volgt bewondering: knap toch hoe die ogenschijnlijk simpele regels die emoties los kunnen maken.
Nog 37 dagen tot de Piet Paaltjens Parade.
En blikt mij vragend aan,
'Wat moet dat, bleeke zanger, -
In uw ooghoek glinstert een traan?'
Zoo gij de maan niet zelf waart,
'k Zou zeggen: loop naar de maan. -
Wat mij het oog doet glinsteren,
Dat gaat er geen schepsel aan.
Een flinke wending in toon en sfeer tussen het eerste en tweede couplet. Hoewel ik weet dat je bij Piet Paaltjens op je hoede moet zijn, trap ik er toch steeds weer in. Ik laat me meevoeren door de eerste regels, omwille van - ja wat eigenlijk? - negeer ik het naar mijn smaak ietwat overdreven romantische, dramatische gehalte. Ik zie de glinstering van de traan en heb medelij met de zanger die naast verdrietig ook wat ziekig lijkt te zijn, te oordelen naar zijn witte gelaat. Ik wieg mijn hoofd en hart bijna mee op het ritme.
EN DAN, bij de tweede regel van het tweede couplet, keren mijn voeten abrupt terug op aarde en mijn hersenen in mijn hoofd. Ik voel me buitengesloten en zelfs enigszins voor aap gezet. Bijna tegen mijn zin in volgt bewondering: knap toch hoe die ogenschijnlijk simpele regels die emoties los kunnen maken.
Nog 37 dagen tot de Piet Paaltjens Parade.
donderdag 24 april 2014
Over de Liefde van Stendhal
Goede quotes, veel herkenbare en mooie fragmenten, maar als geheel een beetje een wazig boek voor mij. Wel een openbaring dat je dus zo kan schrijven: onzeker; chaotisch: met voetnoten, eindnoten, voetnoten in voetnoten, haakjes. Ik vind het lastig om in te schatten wat van de schrijver zelf is, wat van de uitgever, en misschien zijn er ook nog zaken toegevoegd door de vertaler. Verder veel citaten in talen die ik niet begrijp.
"De aanblik van alles wat uitzonderlijk mooi is, in de natuur en in de kunst, roept in een flits de herinnering op aan het voorwerp van uw liefde. Dat komt omdat, (...), alles wat mooi en verheven is deel uitmaakt van de schoonheid van uw geliefde, (...)."
"De eerste kristallisatie begint. U vindt het fijn een vrouw wier liefde u zeker bent met duizenden volmaakte eigenschappen te tooien. (...)
"De aanblik van alles wat uitzonderlijk mooi is, in de natuur en in de kunst, roept in een flits de herinnering op aan het voorwerp van uw liefde. Dat komt omdat, (...), alles wat mooi en verheven is deel uitmaakt van de schoonheid van uw geliefde, (...)."
"De eerste kristallisatie begint. U vindt het fijn een vrouw wier liefde u zeker bent met duizenden volmaakte eigenschappen te tooien. (...)
In Salzburg gooien de mensen 's winters een kale boomtak in de verlaten schachten van de zoutmijnen; twee of drie maanden later halen zij hem naar boven bedekt met een laag schitterende kristallen: het kleinste twijgje, niet groter dan een mezepootje, is bezet met ontelbare fonkelende diamanten die geen ogenblik dezelfde aanblik bieden; de oorspronkelijke tak is onherkenbaar geworden. Wat ik kristallisatie noem, is een geestelijk proces waarbij iedere gebeurtenis steeds openieuw bewijst dat de geliefde volmaakt is."
"Zeg, mijn waarde Fronsac, tussen het verhaal waaraan jij wilt beginnen en waar we nu over praten moeten nog twintig flessen champagne worden leeggedronken."
"Zeg, mijn waarde Fronsac, tussen het verhaal waaraan jij wilt beginnen en waar we nu over praten moeten nog twintig flessen champagne worden leeggedronken."
maandag 3 maart 2014
De idioot van Dostojevski
Poeh! Een breed en onbegrijpelijk verhaal, maar iedere keer als ik het weg wilde leggen, kwam er net weer een goed stuk. Bijvoorbeeld de (uiteindelijk ook weer te lange) verklaring van Hippolyte vlak voor zijn al dan niet bewust mislukte zelfmoord.
Ik vind het boek ingewikkeld want:
- veel personages, die per personage ook nog met verschillende namen worden aangeduid
- ingewikkelde relaties
Ik vind het boek ingewikkeld want:
- veel personages, die per personage ook nog met verschillende namen worden aangeduid
- ingewikkelde relaties
- onbekende setting, qua tijd, locatie en cultuur (Bv. wat is of was de status van een vorst? Hoe zat het met weldoeners?)
Is de vorst werkelijk idioot? Het einde doet dat toch vermoeden, maar verder vind ik hem het hele boek door behoorlijk verstandig. Zijn echte gevoelens en wat daarachter zit, waarom hij dingen voelt, blijven voor mij wel onduidelijk en soms ook idioot. Waarom houdt hij van Natascha? Wat heeft nou met Aglaja? Wat heeft hij met Rogozjin (bloedbroeders en vijanden, is dat laatste werkelijk alleen de strijd om een vrouw?)
Is de vorst werkelijk idioot? Het einde doet dat toch vermoeden, maar verder vind ik hem het hele boek door behoorlijk verstandig. Zijn echte gevoelens en wat daarachter zit, waarom hij dingen voelt, blijven voor mij wel onduidelijk en soms ook idioot. Waarom houdt hij van Natascha? Wat heeft nou met Aglaja? Wat heeft hij met Rogozjin (bloedbroeders en vijanden, is dat laatste werkelijk alleen de strijd om een vrouw?)
Maar andere personages zijn minstens zo idioot. Lizaveta verandert wel honderd keer nogal plotseling van mening over de vorst.
Misschien heb ik wel deels dezelfde vraagtekens als Dostojevski op wilde roepen. Het boek is doorspekt met discussies over of de vorst idioot is of niet. En ook 'de adel' is aan discussie onderhevig in het boek, zij het op een andere manier.
woensdag 5 februari 2014
Ik ween om bloemen in den knop gebroken
LXI
Ik ween om bloemen in den knop gebroken
En vóór den uchtend van haar bloei vergaan.
Ik ween om liefde die niet is ontloken
En om mijn harte dat niet werd verstaan.
Gij kwaamt en 'k wist: gij zijt weer heengegaan.
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken.
Ik zat weer roerloos na dien korten waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken,
Zo als een vogel in den stillen nacht
Op eens ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt: 't is dag, en heft het kopje en fluit,
Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker en slechts droevig vloiet
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.
Uit: Verzen
(een sonnet uit 1883, in 1893 voor het eerst gepubliceerd)
Ik ween om bloemen in den knop gebroken
En vóór den uchtend van haar bloei vergaan.
Ik ween om liefde die niet is ontloken
En om mijn harte dat niet werd verstaan.
Gij kwaamt en 'k wist: gij zijt weer heengegaan.
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken.
Ik zat weer roerloos na dien korten waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken,
Zo als een vogel in den stillen nacht
Op eens ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt: 't is dag, en heft het kopje en fluit,
Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker en slechts droevig vloiet
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.
Uit: Verzen
(een sonnet uit 1883, in 1893 voor het eerst gepubliceerd)
zaterdag 25 januari 2014
V
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en 't al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.
En als een heir van donker-wilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor 't heffen van mijn hand en heldere kroon:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.
En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond
Úw overdierb're leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed
En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en 't al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.
En als een heir van donker-wilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor 't heffen van mijn hand en heldere kroon:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.
En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond
Úw overdierb're leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed
En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.
Uit: Verzen, 1894
gebruikte druk: 6, 1942
gebruikte druk: 6, 1942
vrijdag 3 januari 2014
Uitgaan van de Larense R.K. Kerk - Bosch Reitz
Bladerend in 'het nederlandse kunstboek' stuitte ik op Uitgaan van de Larense R.K. Kerk van Gijs Bosch Reitz (1860 - 1938). Wauw wat een cool schilderij. Het is uit 1893.
![]() |
| Uitgaan van de Larense RK Kerk |
Waarom vind ik Uitgaan van de Larense RK Kerk zo mooi? Omdat het voor mij veel meer een abstract schilderij met verticale lijnen dan een voorstelling is, maar de voorstelling biedt wel houvast.
Bosch Reitz blijkt niet veel geschilderd te hebben, en van wat ik kan vinden op internet vind ik bovenstaand schilderij verreweg het mooist. Maar onderstaande schilderijen vind ik ook mooi.
![]() |
| Boslaan |
![]() |
| St. Jansprocessie |
zaterdag 20 juli 2013
Vijftig van Marcellus Emants
Heerlijk qua taal. Pas als ik stukjes nalees om er achter komen wat er zo heerlijk is, valt me op dat het eigenlijk heel clean gescheven is. Ik vind geen superlatieven, geen dubbele bijvoegelijke naamwoorden, geen liederlijke bijzinnen. En toch is het geen droge beschrijving. "beneden roezemoesde de rumoerige straat" Nou, dat vind ik er heerlijk aan, denk ik.
En natuurlijk die paar oude woorden, en de inkijk in het leven in die tijd (eind negentiende eeuw): trijp, omberen, elkaar met mevrouw en meneer aanspreken ook als je behoorlijk close bent, mannen die met elkaar gaan roken na het diner, zomaar wat voorbeelden.
Ik kan me natuurlijk niet vinden in Emants' sombere kijk. Ik vraag me af wat er nou werkelijk aan de hand was tussen haar en hem (maar het is natuurlijk raar om als lezer te vinden dat de schrijver met een verkeerde blik kijkt en weergeeft, dat er misschien wel iets anders gebeurt dan hij beschrijft). Waarom praatten ze er niet beter over? Waarom vraagt hij niet door? Waarom zegt hij niet wat het met hem doet? Ach, misschien doet hij het eigenlijk wel, maar gaat zij er niet op in, houdt het af. Dan is het dus toch een soort van hopeloze liefde. Hij negeert alle signalen, ook die van haar, dat dit niet de vrouw van zijn dromen is, en zij houdt hem dan maar aan het lijntje. Eigenlijk houden ze elkaar en zichzelf voor de gek. Zij lijkt er alleen een stuk minder last van te hebben.
Mooie schets van de verwarring: "Er was te veel waars in haar heftige uitval, (...) en toch sprak zij van haat en vernederen, terwijl hij alleen dacht aan liefde en opheffen." (waarbij 'opheffen' 'omhoog halen, beter maken' betekent)
Het valt me op dat Ravens een paar keer wat hij doet als jongensachtig of kinderachtig bestempeld. Hij is bang om (alleen) oud te worden.
De enige gelukkige relatie in het boek is die tussen Ravens en zijn jong gestorven vrouw. Toch, als hij in de trein zit, op weg naar Monte Carlo, denk ik: wie weet wat voor goeds er nog gaat gebeuren. Zo oud is vijftig toch niet? Maar dat is natuurlijk niet de tekening van het boek, niet de sfeer die opgeroepen wordt. "Weer rond gaan dwalen in den vreemde, de lege tijd vullend met wandelingen, babbeltjes, kaartspelen, (...) altijd geplaagd door het verlangen om nog eens ... voor 'laatst ...?" (...) "Thans is voor mij de tijd aangebroken om me te gaan vergenoegen met la dernière passion, qui me reste." Misschien is het dat woord 'passion' waardoor ik toch hoop houd.
En natuurlijk die paar oude woorden, en de inkijk in het leven in die tijd (eind negentiende eeuw): trijp, omberen, elkaar met mevrouw en meneer aanspreken ook als je behoorlijk close bent, mannen die met elkaar gaan roken na het diner, zomaar wat voorbeelden.
Ik kan me natuurlijk niet vinden in Emants' sombere kijk. Ik vraag me af wat er nou werkelijk aan de hand was tussen haar en hem (maar het is natuurlijk raar om als lezer te vinden dat de schrijver met een verkeerde blik kijkt en weergeeft, dat er misschien wel iets anders gebeurt dan hij beschrijft). Waarom praatten ze er niet beter over? Waarom vraagt hij niet door? Waarom zegt hij niet wat het met hem doet? Ach, misschien doet hij het eigenlijk wel, maar gaat zij er niet op in, houdt het af. Dan is het dus toch een soort van hopeloze liefde. Hij negeert alle signalen, ook die van haar, dat dit niet de vrouw van zijn dromen is, en zij houdt hem dan maar aan het lijntje. Eigenlijk houden ze elkaar en zichzelf voor de gek. Zij lijkt er alleen een stuk minder last van te hebben.
Mooie schets van de verwarring: "Er was te veel waars in haar heftige uitval, (...) en toch sprak zij van haat en vernederen, terwijl hij alleen dacht aan liefde en opheffen." (waarbij 'opheffen' 'omhoog halen, beter maken' betekent)
Het valt me op dat Ravens een paar keer wat hij doet als jongensachtig of kinderachtig bestempeld. Hij is bang om (alleen) oud te worden.
De enige gelukkige relatie in het boek is die tussen Ravens en zijn jong gestorven vrouw. Toch, als hij in de trein zit, op weg naar Monte Carlo, denk ik: wie weet wat voor goeds er nog gaat gebeuren. Zo oud is vijftig toch niet? Maar dat is natuurlijk niet de tekening van het boek, niet de sfeer die opgeroepen wordt. "Weer rond gaan dwalen in den vreemde, de lege tijd vullend met wandelingen, babbeltjes, kaartspelen, (...) altijd geplaagd door het verlangen om nog eens ... voor 'laatst ...?" (...) "Thans is voor mij de tijd aangebroken om me te gaan vergenoegen met la dernière passion, qui me reste." Misschien is het dat woord 'passion' waardoor ik toch hoop houd.
zaterdag 29 juni 2013
Trots en vooroordeel van Jane Austen
Een klassieker die je natuurlijk gelezen moet hebben. Dus laatst op het station gekocht toen ik lang moest wachten. Het begin is leuk en interessant, maar daarna is het meer van hetzelfde en komen de karakters op mij over als karikaturen. Misschien ligt het aan de vertaling, misschien ligt het aan de ouderdom, misschien ligt het aan mij. Ik denk dat je er een vermakelijke film van kunt maken, en dat is natuurlijk ook al 100 keer gebeurd. Misschien heb ik ook niet geduld genoeg. Kan best zijn dat de ontwikkeling van Elizabeth geplaatst in haar tijd toch een interessant verhaal oplevert, maar dat dat pas wat verderop duidelijk wordt. [spoiler ahead]
Het helpt ook niet dat je al weet dat Elisabeth en Darcy 'meer voor elkaar voelen dan ze in eerste instantie willen toegeven'. Voor mij wordt vervolgens elke expliciete twijfel een berichtje van de schrijver: "Zien jullie wel, beste lezers, dat het er nu al in zit?" en dan voel ik me net zo'n soapkijker vlak voor de reclame. Je moet het in de tijd zien (lezen) natuurlijk, maar ik kan niets doen aan dat gevoel.
Het helpt ook niet dat je al weet dat Elisabeth en Darcy 'meer voor elkaar voelen dan ze in eerste instantie willen toegeven'. Voor mij wordt vervolgens elke expliciete twijfel een berichtje van de schrijver: "Zien jullie wel, beste lezers, dat het er nu al in zit?" en dan voel ik me net zo'n soapkijker vlak voor de reclame. Je moet het in de tijd zien (lezen) natuurlijk, maar ik kan niets doen aan dat gevoel.
woensdag 9 januari 2013
Stipriaantje
Een stipriaantje is een stroopballetje en komt voor het eerst voor in 1899. Het woord, in ieder geval (vlgs de etymologische Van Dale) van het stroopballetje zelf weet ik het niet. Het is vernoemd naar de dokter van wie het recept was. Hij heette Van Stiprianus Luïscius. Mooi he?
Ik zocht eigenlijk 'stopcontact'. Maar dat blijkt niet in mijn zilveren Van Dale te staan.
Ik zocht eigenlijk 'stopcontact'. Maar dat blijkt niet in mijn zilveren Van Dale te staan.
Abonneren op:
Posts (Atom)

+(1860-1938)+-+Kerkuitgang+van+de+oude+Sint-Janskerk+te+Laren+(1893);olieverf;doek;91+x+136.jpg)


