Dag vijf van onze raampoëzie. Snikken en Grimlachjes van Piet Paaltjens
Op blz. 30 nummer LX
Toen Knaap mij de laatste maal knipte,
Was hij aangedaan onder zijn werk.
"Wat wordt u al grijs!" sprak hij somber,
"Ik vrees, u studeert te sterk."
En Jongmans, toen hij mij gistren
De maat voor een pantalon nam,
Keek van mijn magerheid zóó op,
Dat ik dacht, dat hem iets overkwam.
Vater Muller ontzei me zijn tafel.
Ze verliep anders heelemaal.
Mijn holle kaak deed de lui denken.
Het eten was bij hem zo schraal.
En mijn oppasser heeft zelfs den ploert al
Een goed woord voor een draagplaats verzocht,
Als soms mijnheers begraafnis
Te Leiden plaats hebben mocht.
Maar wie er ook zien en beweenen,
Dat ik zoo jong moet vergaan,
Niet hare grijsblauwe oogjes,
En die hebben 't mij juist gedaan.
Ik schrijf, vaak over Nederlandse literatuur, soms over andere (taalgerelateerde) zaken. Het zijn persoonlijke observaties en weergaven. Ik lees het eerlijk gezegd graag terug. U bent welkom om mee te lezen. Ik vind het leuk als u er iets aan heeft (plezier, inspiratie, informatie, ...)
Posts tonen met het label Raampoëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Raampoëzie. Alle posts tonen
zaterdag 14 juli 2012
Die van de melkboer
Dag vier van onze raampoëzie, Snikken en Grimlachjes van Piet Paaltjens.
Op blz. 29 nummer XLIX
Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
'De stoep is weer nat.'Och, hij wist niet
Dat er 's nachts op die stoep was geschreid.
Nu, dat hij en de meid het niet wisten,
Dat was minder;-maar dat zij
Er hoegenaamd niets van vermoedde,
Dat was wel hard voor mij.
Op blz. 29 nummer XLIX
Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
'De stoep is weer nat.'Och, hij wist niet
Dat er 's nachts op die stoep was geschreid.
Nu, dat hij en de meid het niet wisten,
Dat was minder;-maar dat zij
Er hoegenaamd niets van vermoedde,
Dat was wel hard voor mij.
XXIII
Dag vier van onze raampoëzie, Snikken en Grimlachjes van Piet Paaltjens.
Op blz. 28 nr. XXXIII
Mijn hart was toegevroren,
Mijn tranen vloeiden niet meer.
Toen trof mij haar gloeiende blikstraal,
En de wateren ruischten weer.
O ware ik toch verdronken
In den bitterzilten vloed!
In brakke liefdetranen
Te smoren is honingzoet.
Op blz. 28 nr. XXXIII
Mijn hart was toegevroren,
Mijn tranen vloeiden niet meer.
Toen trof mij haar gloeiende blikstraal,
En de wateren ruischten weer.
O ware ik toch verdronken
In den bitterzilten vloed!
In brakke liefdetranen
Te smoren is honingzoet.
Abonneren op:
Posts (Atom)