Wat een verdrietig verhaal. Bijna alles is verdrietig: de ontbrekende liefde tussen Sonja en Daniël, natuurlijk de dood van hun dochtertje en dat dat het gevolg is van een ruzie tussen Sonja en Daniël, de verhouding met zijn vader, het verhaal van Emma met een nare vader een overleden moeder en een abortus, Daniëls angst om Basje, zelfs het waterhoentje dat doodgaat, en vooral zijn natuurlijk zijn verdriet en onmacht (hoe er steeds geen geluid uit zijn mond komt als hij wil waarschuwen voor gevaar net als toen bij Sonja).
Toch ook veel liefde, lieve dingen. Hoe hij de waterhoen uit het ijs haalt, hoe hij de mevrouw met de fiets helpt (hier trouwens een liefdeloze dochter in plaats van een nare vader), zijn liefde voor Basje, hoe hij met zijn moeder omgaat. De zoektocht naar toch van elkaar houden of bij elkaar kunnen blijven. Hoe Sonja en Daniël wel om elkaar geven.
Een paar gruwelijke elementen. Het vel van het handje van zijn dochtertje, op zich al gruwelijk, maar hoe het nog een paar keer terugkomt, brrr. Hoe hij in zijn droom samen met Basje opgehangen wordt aan weerszijde van een touw. De muisjes die gefrituurd worden en door Emmy opgegeten, al helemaal met het idee dat hij daarbij heeft: dat zij van hem eet, omdat die muisjes gevoed zijn met zijn bloed (de muizenmoeder heeft zakdoeken met zijn bloed opgevreten).
Lekker Wolkers: natuur. Ik zie de hele tijd die rups voor me die een luis uitzuigt. Gaat dat echt zo? Ongetwijfeld, het is Wolkers.
Veel dood en vergaand vlees.
Een indringend verhaal, mooi boek. Ik zou het niet aan iedereen aanraden, want ik werd er wel heel verdrietig van, maar als je dat aankan, zou ik het zeker lezen.
Een paar mooie citaten
"Medelijden is een slechte raadgever, zei mijn vader vroeger altijd wanneer ik met een hond of een ziek dier thuiskwam. Als Gerard geen medelijden met mij had gehad was dat kind niet geboren, dan had het ook nooit dood kunnen gaan. Maar dan waren die jongens van me er ook niet geweest. Misschien is het toch de moeite waard om te leven, ook al duurt het maar twee jaar. Kon ik dat maar geloven. Kon ik het maar."
"Ze reed zo hard dat ik moeite had om haar bij te houden. De bloemen in de berm smolten als sneeuw in elkaar. Als we voor een kruising vaart moesten minderen draaiden de seizoenen terug en werden de witte stroken weer afzonderlijke bloemen."
En ook een beetje leuk:
"Op het geluid van de achter hem dichtvallende deur verschijnt uit een gang, waarboven een hert met gewei zonder reden zijn kop door de muur heen steekt, een gemelijke dikke man die het ochtendblad als een vuile sloop achter zich aan het café binnen trekt."
Hij beschrijft knap dromen. Alle bizarre wendingen waardoor je vaak snel stopt met het vertellen of lezen van een droom zet hij neer en toch lees je door. Zelfs als je het, zoals ik, wel wat veel dromen vindt.
Ik schrijf, vaak over Nederlandse literatuur, soms over andere (taalgerelateerde) zaken. Het zijn persoonlijke observaties en weergaven. Ik lees het eerlijk gezegd graag terug. U bent welkom om mee te lezen. Ik vind het leuk als u er iets aan heeft (plezier, inspiratie, informatie, ...)
donderdag 30 april 2020
zaterdag 25 april 2020
De heer Mellenberg van JMA Biesheuvel
Een kijkje in het hoofd van een gek en in het leven in een gekkenhuis. Ik vind het wel fijn en grappig. Het is niet te hysterisch, niet te onbegrijpelijk, lekker vlot geschreven. Ik word meegenomen.
Maarten is de Messias en ontdekt in het gekkenhuis Mellenberg. Mellenberg is het niet met hem eens over dat Messias-zijn en vraagt naar zijn echte naam. Maarten bewondert de nuchterheid van Mellenberg en besluit zijn volgeling te worden. Mellenberg is al lang, heel lang, bezig met een artikel. Hij wil het typen op zijn Remmington, maar die krijgt hij niet van de directeur, en zo nog wat dingen.
De heer Mellenberg is het eerste korte verhaal in In de bovenkooi van Maarten Biesheuvel en smaakt naar meer.
Op reis van Remco Campert en Willem van Malsen
Fijn klein verhaaltje met wat humor.
Campert beschrijft hoe hij met Van Malsen een reis maakt. De reis zelf is het doel. Hij beschrijft hoe ze af en toe wat pech hebben onderweg: hij haalt zijn been open, voor de eerste nacht vinden ze geen onderdak, dat soort dingen, niets dramatisch. Hij beschrijft ook dat ze prachtige dingen zien en goede gesprekken hebben, bijvoorbeeld over de zin van het leven of eigenlijk het ontbreken daarvan.
Regelmatig merkt Campert op dat hij hoopt dat Van Malsen iets tekent.
Het stukje over de grens vind ik wel mooi. Misschien wel omdat wij grensovergangen niet meer op die manier meemaken:
" 's Middags werden we bij een grens afgezet door een bestelwagen met tweedehands televisietoestellen. Terwijl Willem bleekjes toekeek moest ik op bevel van de dienstdoende douanier mijn rugzak legen. Er werd natuurlijk geen contrabande in aangetroffen en ik kon de spullen weer inpakken, wat een vervelend karwei was waarbij niemand me hulp verleende. Na dit onaangename oponthoud liepen we de grens over en het stappen over de denkbeeldige lijn gaf mij toch een opwindend gevoel."
Bijzondere woordkeuzes:
'Brooddronken schooljongen'
'Contrabande' in bovenstaand citaat.
'Plekten' in "Ook plekten er door tijd en weer gehavende schuren ... " Blijkbaar een werkwoord dat 'een plek hebben' aanduidt.
'Wolengewemel'
'Toeristenransel' voor rugzak.
Het verhaal eindigt de vroege ochtend na de tweede nacht als ze in de berm zitten nadat ze zijn gevlucht uit de herberg waar ze overnachtten omdat de herbergier Willem (Van Malsen) betrapte met zijn dochter. Campert had er al op geanticipeerd dus alle spullen zijn keurig mee gekomen.
Campert en Van Malsen waren echt bevriend. Of ze deze reis samen hebben gemaakt weet ik niet. Maakt ook niet uit.
Campert beschrijft hoe hij met Van Malsen een reis maakt. De reis zelf is het doel. Hij beschrijft hoe ze af en toe wat pech hebben onderweg: hij haalt zijn been open, voor de eerste nacht vinden ze geen onderdak, dat soort dingen, niets dramatisch. Hij beschrijft ook dat ze prachtige dingen zien en goede gesprekken hebben, bijvoorbeeld over de zin van het leven of eigenlijk het ontbreken daarvan.
Regelmatig merkt Campert op dat hij hoopt dat Van Malsen iets tekent.
Het stukje over de grens vind ik wel mooi. Misschien wel omdat wij grensovergangen niet meer op die manier meemaken:
" 's Middags werden we bij een grens afgezet door een bestelwagen met tweedehands televisietoestellen. Terwijl Willem bleekjes toekeek moest ik op bevel van de dienstdoende douanier mijn rugzak legen. Er werd natuurlijk geen contrabande in aangetroffen en ik kon de spullen weer inpakken, wat een vervelend karwei was waarbij niemand me hulp verleende. Na dit onaangename oponthoud liepen we de grens over en het stappen over de denkbeeldige lijn gaf mij toch een opwindend gevoel."
Bijzondere woordkeuzes:
'Brooddronken schooljongen'
'Contrabande' in bovenstaand citaat.
'Plekten' in "Ook plekten er door tijd en weer gehavende schuren ... " Blijkbaar een werkwoord dat 'een plek hebben' aanduidt.
'Wolengewemel'
'Toeristenransel' voor rugzak.
Het verhaal eindigt de vroege ochtend na de tweede nacht als ze in de berm zitten nadat ze zijn gevlucht uit de herberg waar ze overnachtten omdat de herbergier Willem (Van Malsen) betrapte met zijn dochter. Campert had er al op geanticipeerd dus alle spullen zijn keurig mee gekomen.
Campert en Van Malsen waren echt bevriend. Of ze deze reis samen hebben gemaakt weet ik niet. Maakt ook niet uit.
zondag 19 april 2020
Ooit en te nimmer van Roald Dahl
Een lezenswaardig boek dat je laat nadenken over de mens, politiek, de zin van het bestaan en nog wat van die dingen. Geen lichte kost dus. De eerste zin laat daar geen twijfel over bestaan:
De wereld telt vandaag de dag talloze mensen die allen in een oorlog willens en wetens hebben gemoord.
Dahl is uitgebreid in zijn beschrijvingen. Als er rapporten komen uit alle landen van de wereld, komt hij pas na bespreking van maar liefst twaalf rapporten van 12 landen met de zin "En zo werd de hoorzitting voortgezet." Dat had voor mij iets eerder gemogen, het verhaal had met minder landen verteld kunnen worden.
Ook de beschrijving van de gesprekken van de piloten na de ontdekking van de Gremlins, eerst de eerste en de volgende dag meerdere soorten is mij wat te uitgebreid. Andere stukken zoals de razende zinnen over de laatste vlucht van Peternip zijn beter aan mij besteed, van het begin tot bijna het einde (als hij gaat landen, haak ik af).
Ik ben niet zo van de fantasiefiguren, maar het is, ondanks het einde van het boek (daarvoor moet je het echt even lezen) de vraag in hoeverre Gremlins alleen maar fantasiefiguren zijn. Ik heb in ieder geval wat geleerd over de ontstaansgeschiedenis van deze wezentjes.
Dahl schetst een somber beeld van de mens. En hoewel dit boek uit 1948 zeker een aantal pijnlijk observaties doet die vandaag de dag helemaal niet zo gedateerd overkomen, vind ik hem wat te pessimistisch met die derde en vierde wereldoorlog. Gelukkig drukt het sombere geen al te zwaar stempel op het boek als geheel.
Personen en relaties worden niet ver uitgediept, de gremlinleider misschien nog wel het meest. Maar ze gaan zeker leven en het niveau is passend bij dit verhaal dat niet zozeer over de individuele mens gaat.
Ik las de vertaling van Rob van der Veer voor Meulenhoff. Geen briljante uitgave, bijvoorbeeld acre vertaald als akker en veel zetfouten. Maar al met al toch lekker gelezen en een aanrader dus.
De wereld telt vandaag de dag talloze mensen die allen in een oorlog willens en wetens hebben gemoord.
Dahl is uitgebreid in zijn beschrijvingen. Als er rapporten komen uit alle landen van de wereld, komt hij pas na bespreking van maar liefst twaalf rapporten van 12 landen met de zin "En zo werd de hoorzitting voortgezet." Dat had voor mij iets eerder gemogen, het verhaal had met minder landen verteld kunnen worden.
Ook de beschrijving van de gesprekken van de piloten na de ontdekking van de Gremlins, eerst de eerste en de volgende dag meerdere soorten is mij wat te uitgebreid. Andere stukken zoals de razende zinnen over de laatste vlucht van Peternip zijn beter aan mij besteed, van het begin tot bijna het einde (als hij gaat landen, haak ik af).
Ik ben niet zo van de fantasiefiguren, maar het is, ondanks het einde van het boek (daarvoor moet je het echt even lezen) de vraag in hoeverre Gremlins alleen maar fantasiefiguren zijn. Ik heb in ieder geval wat geleerd over de ontstaansgeschiedenis van deze wezentjes.
Dahl schetst een somber beeld van de mens. En hoewel dit boek uit 1948 zeker een aantal pijnlijk observaties doet die vandaag de dag helemaal niet zo gedateerd overkomen, vind ik hem wat te pessimistisch met die derde en vierde wereldoorlog. Gelukkig drukt het sombere geen al te zwaar stempel op het boek als geheel.
Personen en relaties worden niet ver uitgediept, de gremlinleider misschien nog wel het meest. Maar ze gaan zeker leven en het niveau is passend bij dit verhaal dat niet zozeer over de individuele mens gaat.
Ik las de vertaling van Rob van der Veer voor Meulenhoff. Geen briljante uitgave, bijvoorbeeld acre vertaald als akker en veel zetfouten. Maar al met al toch lekker gelezen en een aanrader dus.
zondag 8 maart 2020
Tot nul herleid van Bruno Asselbergh
Gezien het onderwerp durf ik het bijna niet te zeggen. Ik vond het bijna niks. Het is een rottig verhaal, zielig. Ik heb het met de hoofdpersoon te doen, maar heel spontaan komt dat gevoel niet op.
Nergens werd ik aan het denken gezet. Op geen enkel moment wilde ik naar een personage schreeuwen: "Doe het niet!", of "Kom op!", of iets dergelijks. Soms wel bijna, maar dan ebde het weer weg.
De houtzagerij, het kippenhok, de plekken waar hij zich wel prettig voelt: ik snap ze niet, ze roepen niets bij me op. De afwezige warmte en liefde, en de moeder die dan toch moet huilen als hij met de bus gaat. Het is te weinig voor mij.
Wie is oom Jean? De man die hem steeds helpt, maar verder zo vlak blijft als een onbeschreven vel papier. Ook Filip blijft eigenlijk die bange jongen die niet gezien wil worden en die op wraak zint door iets beter te doen dan anderen en zo gezien te worden. Misschien is dat wel mooi hoor.
De honger naar kennis. Jean deelt zijn kennis met Filip maar lijkt ook gewoon een luisteraar (volgeling?) te zoeken. Eén keer wordt, in negatieve zin, aangestipt dat zijn grootmoeder ook altijd alles wilde weten. En verder?
Ik heb het wel in één ruk uitgelezen. Het is bijna flauw om te zeggen, maar ik denk echt dat het ook te maken heeft met de te grote regelafstand. Je bent zo een bladzijde verder en dan kun je net zo goed de volgende bladzijde ook nog even lezen. Toch is dat niet het enige. Ergens zit een belofte, die maakt dat je het uit wil lezen.
Misschien zit het in Filips oog voor architectuur en zijn omgeving. De kariatiden natuurlijk en:
Hij herinnerde zich een dag dat de regen met bakken naar beneden viel en hoe hij verwonderd had gekeken naar die waterspuwende draken en hoe hij tegen zijn moeder had gezegd: "Wat een schoon beeld!" En hoe zij dat beeld had neergehaald door droogweg te zeggen: "Ja, anders wordt de gevel vochtig."
Dit vind ik een fijn stukje. Ik zie de draken voor me met continue onstuimige waterstromen uit hun bek. Het beeld wordt wreed gestoord door moeder en de woordkeus 'droogweg' om het daarna zo mogelijk nog erger te maken met het bagatelliserende 'vochtig'.
Of het stukje waarin beschreven wordt wat hij ziet als hij in het park is. Een treffende beschrijving, gevolgd door: Hij zag en hoorde het allemaal, omdat hij altijd en overal op zijn hoede was. Auw. Met niet lang daarna een passage die een glimlach ontlokt. Zo'n passage waarvan ik bijna riep "Doe daar dan iets mee!"
Voor hem stond een marmeren beeld van Leopold II met het achterhoofd in de richting van de uivormige bekroning van een kerktoren bergop. Hij verplaatste zich tot die ui precies op de kop van de koning kwam te liggen. Bij koningen hoort nu eenmaal een kroon, zei hij, verbaasd over zichzelf.
Dit soort stukjes kan ik niet meer vinden aan het einde van het boek en daarmee lost het voor mij zijn belofte niet in. Dat vind ik jammer.
Nergens werd ik aan het denken gezet. Op geen enkel moment wilde ik naar een personage schreeuwen: "Doe het niet!", of "Kom op!", of iets dergelijks. Soms wel bijna, maar dan ebde het weer weg.
De houtzagerij, het kippenhok, de plekken waar hij zich wel prettig voelt: ik snap ze niet, ze roepen niets bij me op. De afwezige warmte en liefde, en de moeder die dan toch moet huilen als hij met de bus gaat. Het is te weinig voor mij.
Wie is oom Jean? De man die hem steeds helpt, maar verder zo vlak blijft als een onbeschreven vel papier. Ook Filip blijft eigenlijk die bange jongen die niet gezien wil worden en die op wraak zint door iets beter te doen dan anderen en zo gezien te worden. Misschien is dat wel mooi hoor.
De honger naar kennis. Jean deelt zijn kennis met Filip maar lijkt ook gewoon een luisteraar (volgeling?) te zoeken. Eén keer wordt, in negatieve zin, aangestipt dat zijn grootmoeder ook altijd alles wilde weten. En verder?
Ik heb het wel in één ruk uitgelezen. Het is bijna flauw om te zeggen, maar ik denk echt dat het ook te maken heeft met de te grote regelafstand. Je bent zo een bladzijde verder en dan kun je net zo goed de volgende bladzijde ook nog even lezen. Toch is dat niet het enige. Ergens zit een belofte, die maakt dat je het uit wil lezen.
Misschien zit het in Filips oog voor architectuur en zijn omgeving. De kariatiden natuurlijk en:
Hij herinnerde zich een dag dat de regen met bakken naar beneden viel en hoe hij verwonderd had gekeken naar die waterspuwende draken en hoe hij tegen zijn moeder had gezegd: "Wat een schoon beeld!" En hoe zij dat beeld had neergehaald door droogweg te zeggen: "Ja, anders wordt de gevel vochtig."
Dit vind ik een fijn stukje. Ik zie de draken voor me met continue onstuimige waterstromen uit hun bek. Het beeld wordt wreed gestoord door moeder en de woordkeus 'droogweg' om het daarna zo mogelijk nog erger te maken met het bagatelliserende 'vochtig'.
Of het stukje waarin beschreven wordt wat hij ziet als hij in het park is. Een treffende beschrijving, gevolgd door: Hij zag en hoorde het allemaal, omdat hij altijd en overal op zijn hoede was. Auw. Met niet lang daarna een passage die een glimlach ontlokt. Zo'n passage waarvan ik bijna riep "Doe daar dan iets mee!"
Voor hem stond een marmeren beeld van Leopold II met het achterhoofd in de richting van de uivormige bekroning van een kerktoren bergop. Hij verplaatste zich tot die ui precies op de kop van de koning kwam te liggen. Bij koningen hoort nu eenmaal een kroon, zei hij, verbaasd over zichzelf.
Dit soort stukjes kan ik niet meer vinden aan het einde van het boek en daarmee lost het voor mij zijn belofte niet in. Dat vind ik jammer.
vrijdag 28 februari 2020
De heilige van Martin Michael Driessen
Lekker boek, met heerlijke taal, pakkend verhaal en veel zelfspot. De opening knalt er al direct in, heilig, hels, nieuwsgierigmakend. Ik moest al snel denken aan Owen Meany, ook arrogant en (vermeend) heilig.
Ik werd regelmatig op het verkeerde been en aan het denken gezet.
Achteraf denk ik dat mijn totale ongevoeligheid voor de begrippen goed en kwaad destijds al een grote rol hebben gespeeld. Ik was het het geheel niet vooringenomen en hield van alles en van iedereen ...
Na die eerste zin denk ik: fout. Na de tweede denk ik: lief. En dan beginnen de radertjes in mijn hoofd harder te draaien. Dit thema, deze tegenstelling, goed en kwaad, komt steeds terug, meestal andersom trouwens. Steeds als ik denk: nu is hij echt goed bezig, haalt hij dat weer onderuit.
Het verhaal voert me mee, gewoon lekker stoere avonturen, ook al zijn ze dan vaak fout: van zich voordoend als de beste vriend van een gesneuvelde verloofde, via assisteren bij wetenschappelijke ontdekkingen tot moordende struikrover die zijn robinhood-achtige intenties eigenlijk slechts één keer waarmaakt. Vervolgens wordt hij van matroos assistent en redder bij een soort ontdekkingsreis per zeilschip. Tot slot wordt hij veroordeeld voor zijn misdaden als struikrover en belandt hij in de gevangenis waar hij zich ontwikkelt tot heilige, waarbij hij werkelijk goede dingen lijkt te doen, maar ook nare middelen niet schuwt om de voorzienigheid een handje te helpen. Of hij werkelijk heilig wordt verklaard, is maar de vraag, even los van het feit dat het überhaupt een roman in de categorie fictie is. Toch loopt het verhaal met deze heiligheid mooi rond. Een heerlijk verhaal toch?
Dat de verteller het verhaal ook regelmatig afvalt, doet daar niets aan af. Dat maakt het op een andere laag weer interessant. Het avontuur is op bijna elke pagina overweldigend en dan zegt hij doodleuk:
Ik weet nog niet of die episode een plaats krijgt in dit narratief, dat per slot van rekening bedoeld is als een relaas van de geschiedenis van mijn ziel, en niet als een avonturenroman.
Bovendien krijg je af en toe verschillende versies van wendingen in het verhaal voorgeschoteld. Zo had het kunnen gaan, staat er dan. Overigens krijg je dat inkijkje in zijn ziel wel degelijk, al weet ik nooit wanneer het 'echt' is.
De taal is bij tijd en wijle bombastisch (en dat heeft zo zijn invloed op mij, getuige deze zin). Ook daar wordt onomwonden mee gespeeld:
Leen mij uw pen, o Chateaubriand en Rousseau, en ook gij, Millevoye of Constant, opdat ik de mooiste reis van mijn leven waardig kan bezingen. Leen mij de kleuren van uw fantasie, maak mij geestdriftig en bevlogen als ik vertel van die laatste eenentwintig dagen die mij nog scheidden van het meisje van mijn dromen! Maar mooischrijverij is helaas niet mijn forte, en de voorgaande zinnen heb ik dus ergens gestolen.
Iets dergelijks gebruikt hij een eind verder in het verhaal en ook deze herhaling benoemt hij.
Mooischrijverij is hoe dan ook in mijn ogen wel degelijk een forte van de auteur. Er staan veel schitterende zinsdelen en zinnen in en die zijn echt niet geleend, al schuwt hij de clichés niet.
Ik vraag me af of hij in dit kader af en toe uitglijdt, bijvoorbeeld als hij twee keer vlak achter elkaar 'leunen tegen de deurstijl' gebruikt om zijn beschrijving van een gemoedstoestand kracht bij te zetten. Of is dit een subtieler spel? De eerste keer gaat het over hemzelf en leunt hij tegen de deurpost omdat hij duizelig is door een combinatie van bevangenheid door schoonheid en gewoonweg honger. Bovendien komt de houding hem goed uit voor zijn toneelspel als brenger van slecht nieuws. Vlak daarna leunt de schoonheid en het slachtoffer van zijn toneelstuk verdrietig tegen een deurstijl. Ook de puurheid van dit verdriet haalt hij min of meer onderuit door te wijzen op de aandacht die ze zoekt en krijgt (maar is dat zijn verfoeilijke gedachte of ook echt haar drijfveer?).
Dit is daarmee ook een voorbeeld van hoe hij steeds weer laat zien (of de lezer doet geloven?) goed te zijn, oog te hebben voor het mooie en het lieve, en ook steeds weer het romantische eraf haalt door iets slechts te doen of ontnuchterends te zeggen. Slechts af en toe doet hij echt iets goeds zonder bijbedoelingen of zonder er achteraf zoveel mogelijk voordeel voor zichzelf uit proberen te halen, zoals het opvangen van het vallende meisje. Zijn uiteindelijke heiligverklaring (of niet) is food for thought. In echte wonderen heb ik nooit geloofd, wel in mooie intenties, maar hoe zit dat hier?
Een paar korte notities:
Mooi, niet cliché vind ik het dat hij sneeuw als beklemmend omschrijft in plaats van, nou ja, wat je meestal tegenkomt, een zachte deken of iets dergelijks. Natuurlijk zijn er meer voorbeelden.
Dag na dag werd ingelijfd door het verleden, mijn toekomst slonk.
Het boek zit vol humor die ruimschoots opweegt tegen de kleine flauwigheden.
Ik zie ook verbinding met het heden: zoals hij gaat kijken naar het slagveld na afloop van de gevechten doet me denken aan ramptoerisme.
Doordat ontdekkingen en enkele wetenschappers ook een plek hebben in deze roman, vind ik hem extra interessant.
Kortom: ik vind het een heerlijk en veelzijdig boek. Soms spannend qua opzet en soms helemaal niet (zoals wanneer hij aankondigt dat zaken anders zullen lopen dan gedacht). Het zit zo in elkaar dat ík niet weet of hij soms stillistisch uitglijdt of te flauw is qua inhoud en opzet. En daarom komt hij er voor mij mee weg, als het al zo zou zijn.
Ik werd regelmatig op het verkeerde been en aan het denken gezet.
Achteraf denk ik dat mijn totale ongevoeligheid voor de begrippen goed en kwaad destijds al een grote rol hebben gespeeld. Ik was het het geheel niet vooringenomen en hield van alles en van iedereen ...
Na die eerste zin denk ik: fout. Na de tweede denk ik: lief. En dan beginnen de radertjes in mijn hoofd harder te draaien. Dit thema, deze tegenstelling, goed en kwaad, komt steeds terug, meestal andersom trouwens. Steeds als ik denk: nu is hij echt goed bezig, haalt hij dat weer onderuit.
Het verhaal voert me mee, gewoon lekker stoere avonturen, ook al zijn ze dan vaak fout: van zich voordoend als de beste vriend van een gesneuvelde verloofde, via assisteren bij wetenschappelijke ontdekkingen tot moordende struikrover die zijn robinhood-achtige intenties eigenlijk slechts één keer waarmaakt. Vervolgens wordt hij van matroos assistent en redder bij een soort ontdekkingsreis per zeilschip. Tot slot wordt hij veroordeeld voor zijn misdaden als struikrover en belandt hij in de gevangenis waar hij zich ontwikkelt tot heilige, waarbij hij werkelijk goede dingen lijkt te doen, maar ook nare middelen niet schuwt om de voorzienigheid een handje te helpen. Of hij werkelijk heilig wordt verklaard, is maar de vraag, even los van het feit dat het überhaupt een roman in de categorie fictie is. Toch loopt het verhaal met deze heiligheid mooi rond. Een heerlijk verhaal toch?
Dat de verteller het verhaal ook regelmatig afvalt, doet daar niets aan af. Dat maakt het op een andere laag weer interessant. Het avontuur is op bijna elke pagina overweldigend en dan zegt hij doodleuk:
Ik weet nog niet of die episode een plaats krijgt in dit narratief, dat per slot van rekening bedoeld is als een relaas van de geschiedenis van mijn ziel, en niet als een avonturenroman.
Bovendien krijg je af en toe verschillende versies van wendingen in het verhaal voorgeschoteld. Zo had het kunnen gaan, staat er dan. Overigens krijg je dat inkijkje in zijn ziel wel degelijk, al weet ik nooit wanneer het 'echt' is.
De taal is bij tijd en wijle bombastisch (en dat heeft zo zijn invloed op mij, getuige deze zin). Ook daar wordt onomwonden mee gespeeld:
Leen mij uw pen, o Chateaubriand en Rousseau, en ook gij, Millevoye of Constant, opdat ik de mooiste reis van mijn leven waardig kan bezingen. Leen mij de kleuren van uw fantasie, maak mij geestdriftig en bevlogen als ik vertel van die laatste eenentwintig dagen die mij nog scheidden van het meisje van mijn dromen! Maar mooischrijverij is helaas niet mijn forte, en de voorgaande zinnen heb ik dus ergens gestolen.
Iets dergelijks gebruikt hij een eind verder in het verhaal en ook deze herhaling benoemt hij.
Mooischrijverij is hoe dan ook in mijn ogen wel degelijk een forte van de auteur. Er staan veel schitterende zinsdelen en zinnen in en die zijn echt niet geleend, al schuwt hij de clichés niet.
Ik vraag me af of hij in dit kader af en toe uitglijdt, bijvoorbeeld als hij twee keer vlak achter elkaar 'leunen tegen de deurstijl' gebruikt om zijn beschrijving van een gemoedstoestand kracht bij te zetten. Of is dit een subtieler spel? De eerste keer gaat het over hemzelf en leunt hij tegen de deurpost omdat hij duizelig is door een combinatie van bevangenheid door schoonheid en gewoonweg honger. Bovendien komt de houding hem goed uit voor zijn toneelspel als brenger van slecht nieuws. Vlak daarna leunt de schoonheid en het slachtoffer van zijn toneelstuk verdrietig tegen een deurstijl. Ook de puurheid van dit verdriet haalt hij min of meer onderuit door te wijzen op de aandacht die ze zoekt en krijgt (maar is dat zijn verfoeilijke gedachte of ook echt haar drijfveer?).
Dit is daarmee ook een voorbeeld van hoe hij steeds weer laat zien (of de lezer doet geloven?) goed te zijn, oog te hebben voor het mooie en het lieve, en ook steeds weer het romantische eraf haalt door iets slechts te doen of ontnuchterends te zeggen. Slechts af en toe doet hij echt iets goeds zonder bijbedoelingen of zonder er achteraf zoveel mogelijk voordeel voor zichzelf uit proberen te halen, zoals het opvangen van het vallende meisje. Zijn uiteindelijke heiligverklaring (of niet) is food for thought. In echte wonderen heb ik nooit geloofd, wel in mooie intenties, maar hoe zit dat hier?
Een paar korte notities:
Mooi, niet cliché vind ik het dat hij sneeuw als beklemmend omschrijft in plaats van, nou ja, wat je meestal tegenkomt, een zachte deken of iets dergelijks. Natuurlijk zijn er meer voorbeelden.
Dag na dag werd ingelijfd door het verleden, mijn toekomst slonk.
Het boek zit vol humor die ruimschoots opweegt tegen de kleine flauwigheden.
Ik zie ook verbinding met het heden: zoals hij gaat kijken naar het slagveld na afloop van de gevechten doet me denken aan ramptoerisme.
Doordat ontdekkingen en enkele wetenschappers ook een plek hebben in deze roman, vind ik hem extra interessant.
Kortom: ik vind het een heerlijk en veelzijdig boek. Soms spannend qua opzet en soms helemaal niet (zoals wanneer hij aankondigt dat zaken anders zullen lopen dan gedacht). Het zit zo in elkaar dat ík niet weet of hij soms stillistisch uitglijdt of te flauw is qua inhoud en opzet. En daarom komt hij er voor mij mee weg, als het al zo zou zijn.
donderdag 7 november 2019
De afstandsbediening
Maart 1995. We zijn met een ploegje in een drukkerij in
Den Haag. Iedereen is relaxed.
Meestal moeten we taaie lagen ingebrand
vet van keukenkastjes bijten met spul waarvoor je extra dikke handschoenen aan moet, én zo'n neuskapje op, omdat de damp die eraf stuift ziekelijk botst met de ranzige walm van verkoolde
huisraad.
Niet vandaag. Het brandje was mijlenverderop achterin de drukkerij. De paar roetdeeltjes die het helemaal
tot in de winkel hebben gered, mogen wij opsporen en wegvegen. Onze overalls zijn wat
potsierlijk. Het ruikt er lekker, heel vaag alsof de open haard gisteren aan is
geweest. De eigenaar moet fors verzekerd zijn, anders waren wij hier niet. Ik mag de balie doen.
“Hee, een mini-afstandsbediening.
Waar zou die voor zijn?”
Ik richt op de, in het crèmekleurige met fijne gouden lijntjes verluchtigde interieur, uit de toon vallende stereotoren. Druk op het knopje, niets - niet eens een knipperend rood ledje op het ding zelf - nog een keer,
niets, andere kant op, niets, een paar graden verder, niets. Ik haal mijn
doekje eroverheen en gooi het ding weer in het mandje pennen, potloden en, dat
hadden ze toen nog: tipp-ex. O, die dingen had ik nog niet schoongemaakt.
Alles er weer uit.
Ik pak een handje pennen. Alsof
ik bestek aan het afdrogen ben, gooi ik ze een voor een na een laffe veeg met
mijn doekje terug in het mandje. Een zilverkleurige pen klettert op de grond als een
politiewagen zo ongeveer naar binnen rijdt. Er volgen er meer, allemaal abrupt stoppend op
spectaculaire plekken. Agenten komen met
getrokken pistolen naar binnen, een NCIS-beeld uit een andere hoek van mijn geheugen.
Serieuze, spiedende gezichten. Ondanks dat ik achter de balie
sta, spreken ze mij niet aan. Ze praten zacht met een grote, brede collega. Ik hoor flarden, precies genoeg.
“Niets aan de hand,” gil ik
behulpzaam en ietwat geamuseerd. Dan kickt mijn
misschien-was-het-niet-zo’n-handige-actie-dat-je-het-trots-van-de-daken-moet-schreeuwen-besef
erin. “Ik heb per ongeluk op dit knopje gedrukt,” voeg ik er
een octaaf lager en een tikje zachter aan toe.
Ze lopen op me af. Ik ben het
excuus al aan het formuleren, ze lopen me straal voorbij. Nog een NCIS-scene: staccatobewegingen met het hoofd, priemende
blikken achter de balie.
“Clear!”
Er zit inderdaad geen hurkend stuk
uitschot zijn pistool op mij te richten. Er ligt alleen die pen.
Abonneren op:
Posts (Atom)



